102
geleefde (תלמיד חכם) tegenover den onkundige, den
TT ־ : *
zieke tegenover den gezonde, de vrouw (voor wie het zoo vaak onmogelijk is zich zelve te verzorgen) tegenover den man.
Maar bovenal behooren wij verschil te maken tusschen het geven van aalmoezen en het bedeelen van brave, eerbare, huiszittende armen, wier schaam• tegevoel hen verbiedt, ons hunnen nood te openbaren. Tegenover de laatsten heeft de plicht der mildda-digheid geene grenzen. Zij behooren — hetzij door de hulp van enkelen, door den Algoede met vermogen gezegenden of uit de fondsen, die door vereende krachten zijn samengebracht — in zoodanige mate geholpen te worden, dat men hen zooveel mogelijk in staat stelt, hunnen vroegeren stand te blijven ophouden, al was deze ook nog zoo aanzienlijk geweest.
Het bedeelen van hulpbehoevenden krijgt eerst zijne eigenlijke waarde door de wtyze, waarop het geschiedt. Daar, waar het onvermijdelijk is, dat wij hun in eigen persoon onze gave ter hand stellen, geschiede dit nimmer op dien harden, afstootenden toon, die zoo bitter grieft en zoo zwaar vernedert, maar veeleer in dankbaarheid aan het Opperwezen, met vreugde over de gevonden gelegenheid tot weldoen, met zachte, bemoedigende woorden en bejegening Een zesvoudigen zegen voorspelt Jesaja’s profetenwoord hem die, den arme geene gave weigert,