85
men slechts in aanmerking te nemen, dat in onzen geheelen eeredienst zelden ieder Israëliet voor zich in het bijzonder zijne gedachten en verlangens voor het Opperwezen blootlegt. Integendeel; het is steeds de geheele gemeente, die als een aaneengesloten lichaam van leden, die in wederkeerig verband tot elkander staan, voor God verschijnt, om als zoodanig en in het meervoud tot God te bidden. En zoo vormen ook Isroéls zonden en zijne lotgevallen het onderwerp van ernstige overdenking op die tot ernst stemmende dagen. Tusschen het onheil, dat dit volk treft, en de verkeerdheden, waaraan het zich heeft schuldig gemaakt, heerscht immers het nauwste verband. Hoe vaak toch is het in de Thora reeds voorspeld, dat in latere dagen groote en vele rampen over Israël zouden komen, als 'net namelijk zijnen God zoude vergeten en verlaten hebben. Maar uit het midden der ellende zoude het ten laatste dien God weder zoeken en Hem vinden, als dat zoeken maar oprecht en in waarheid geschiedde. En nu zien de dichters om zich henen . . . Welk leed is ons voorspeld, dat ons nog niet getroffenjheeft ?... Voorzeker, Israëls schuld was en is onbetwistbaar groot! Maar — wanneer zal er een einde komen aan zijn lijden en zwerven? Wanneer zal het weder geheel als volk zijnen God en Deze Zijn volk behooren ? Zoo klagen en peinzen de boetedichters in talloos vele סליחות en beroepen zich op: