82
meene smeekingen om genade en kwijtschelding. Het is een rijkdom van innig vrome, Godgewijde en aandoenlijke overwegingen, die uit deze gebeden spreekt. De gedachte, die hij alle smeek- en boet-gebeden op den voorgrond staat, is natuurlijk die, dat door ons gezondigd en tegen den wil van onzen Schepper gehandeld is (אבל אנחנו חטאנו'- Deze
IT T ï 11 ־ T 1־
vormt den grondtoon van alle belijdenissen (□ודד)/ die wij op de verschillende boetedagen uitspreken en waarvan (behalve die van den Verzoendag, zie hierboven) de bekende alfabetische belijdenis אשמנו
: 1־ r
met de daarbij behoorende inleidingen אליהינו ואלו־זי אשמנו מכל עם ׳אבותינו en לענינו de voornaamste is.
19. D9ze gedachte weegt des te zwaarder bij het bewustzijn, dat de Almachtige, in Wiens hand onze lotgevallen zijn, de Rechter is, Wiens alziend oog onze handelingen gadeslaat, opdat Hij daarover naar recht en waarheid oordeele. Vooral op den יום הךין verheft zich dit bewustzijn in al zijne kracht en gewicht in ons binnenste en vindt zijne uitdrukking in het roerende, wegslepende ׳ונהנה ותקף dat met zijne krachtige, eerbiedwaardige tonen zelfs het meest gevoellooze hart in beweging brengt.
20. En wanneer dan de dichter eenen blik in de geschiedenis slaat en ziet, hoe zelfs de vroomste, beroemdste mannen om enkele tekortkomingen zoo onverbiddelijk gestraft zijn, dan gevoelt hij nog heviger, hoe zondig hoe met schuld beladen de