78
malen echter richten wij onzen blik naar gindsch voorhof (׳עזרה. Zie, daar staan ze in onafzienbare•
TT 1
rijen, de priesters en het volk (והביהנים והעם) en
ר" T • ־ ד־ :
volgen met gespannen gemoed de verrichtingen van den Opperpriester. En telkens als bij het uitspreken der belijdenis de eerbiedwekkende naam Gods (השם הנכבד והנ1רא)/ geheel naar zijne schrijfwijze □ש)
T - : T : •• ־ ־
המפורש) uitgesproken, uit zijnen mond weerklinkt,
T : *
dan buigt die geheele ontzagwekkende, ontelbare schare als één man de knie en valt met het aange-zicht ter aarde <היו כרעים ומשרתחוים ונופלים על ׳פניהס! en dit aiier mond weergalmt ברוך שם ככור מלכרתו לעולם ועד• En tot die voor God bezielde gemeente behooren ook wij thans; want, in de gedachte zijn wij bij hen en hooren mede en sidderen van ontzag en knielen voor dienselfden God en zeggen met hen ברוך שם — wij, na tal van eeuicen, na zooveel lieden en dulden, na zoo bitter zwerven en dolen, — wij, volk zonder land, priesters zonder tempel ... o, Goddelijk wonder! — En toch, het is helaas! slechts een droombeeld; want — zoo zeggen wij ten slotte - hoe gelukkig was het oog, dat eenmaal Israëls werkelijken luister mocht aanschou• wen (אשרי עין ראתה בל אלה). Thans echter ובעת)
V r* T T ־: T I *־• ־ : ” -ו T
(ובעונה הזאת — alle glans en grootheid verdwenen, thans rampen, ballingschap, druk en vernedering! Maar, het woord van God en Zijne profeten zal eenmaal waar worden, Jeruzalem en de tempel in