50
d. dat wig op geenerlei wijze bevorderen, dat de niet-Israëliet op Sabbath arbeidt, ook niet door bijv. te verlangen, dat het werk spoedig na Sabbath voltooid zij;
e. dat het de bewerking van niet vaste goederen gelde;
f. dat het werk niet op eene openlijk zichtbare plaats geschiede (opdat geen misverstand daaruit geboren worde);
g. dat wig door de verrichting van het werk op Sabbath geen voordeel hebben; dat dus de niet• Israëliet ook niet onze vaste bediende zij, die, door dit werk op Sabbath te verrichten, op een anderen dag aan een ander kan arbeiden.
Wanneer een Israëliet op Sabbath eenig ongeoor• loofd werk met opzet verricht heeft, dan mag hij zelf nimmer, anderen eerst na dien Sabbath daarvan gebruik maken. Is het zonder opzet geschied, dan is het gebruik daarvan voor hem zelven na het einde van den Sabbath, voor anderen onmiddellijk geoorloofd.
Van eenig werk, door eenen niet-Israëliet geheel voor zich zelven op Sabbath verricht, mag een Israëliet alleen dan op dien dag gebruik maken, wanneer
a. het vervaardigde of bewerkte niet eenig voor-werp is, waarvan ons in het algemeen op Sabbath het gebruik niet vrijstaat (׳מומצה zie verder);
b. het ondenkbaar is, dat de niet-Israëliet bij zijn