Zit de dichter, — en het meisje Dagelijks, het kleine meisje Ziet hij stappen bij het brugje,
Met de waschmand aan haar heupen.
Overal langsheen het grachtje,
Aan de heenzij en de keerzij Staan geschaard de huizenmutsjes, Waarin kleine menschen steken,
Wier dom waschgoed in de manden Wordt geschommeld door het meisje, Gaande overheen het brugje Dat nadenkend ligt op water In een hooggerugde houding Onder beide kleine voeten Van hel: stappend kleine meisje.
Overal bezij het water Aan de geveltjes der huizen, Gelardeerd met stukjes speksteen, — Aan de bruineboontjes huizen, Ingezet staan kleine vensters;
Op de kleine vensters dansen Loovertikjes van de zonne,
Kleine spiegeltjes van goudlicht Schuivend overheen het water Over het klein meisje henen Op het stil nadenkend brugje.