En de dichter aan het venster Neemt zich voor een Vers te schrijven Van het sidderende grachtje,
Met zijn ingeplante boomen Langs het wiegelende water,
En zijn hooggerugde brugje
En zijn kakelende leuning
En zijn bruine-boontjes huizen
En zijn dagelijksche meisje
Met de waschmand aan haar heupen
Dansend in den dans der zonne.
Maar het dagelijksch meisje Langs het smeedsel van de leuning Kartelend bezij het brugje Dat te peinzen ligt op water Naar de heenzij en de keerzij.
Van het steenrood groene grachtje Met zijn bruineboontjes huizen, — Weet niets van het spel der zonne Weet niets van het spel der verzen En zij lacht maar, het klein meisje Met de waschmand aan haar heupen.
Want zijzelve is als verzen,
Want zijzelve is als zonne,
Dansende bezij de leuning Overheen het stille water Onder het nadenkend brugje