IN DE KAMER.
Voor Els en Koentje.
Naast de jonge moeder is het kleine Kindje en het slaapt nu in de reine Sfeer van lichtlijk-amber moesselien, Waardoorheen gij nauwelijks kunt zien; Kindje ligt daar in een schoonheidsdal, Kindje ligt daar in een wit Heelal Van donzen dekentjes en kussens puur, Kindje ligt daar in het morgen-uur Zijn’s levens, als een nieuw ontdekte bloem ; Uit de jonge moeder kwam die roem —
En zij zelve ligt in zaligheid Tot de gouden stilte heengespreid,
En zij lacht maar, alles in haar lacht,
Want zij heeft een wonder voortgebracht, Een jong menschje is in haar ontstaan,
Een jong kindje is uit haar gegaan,
En het ligt daar, heldertjes gemaakt In een hemelsch bedje, wit gedaakt,
In zijn lede-kantje fijn gelust, —
9i