HET WOUD.
Donkre boomen uit mijn kostbaar woud, Geboren naar den hemel op te schieten,
En uit uw waaiend koepel-dak te gieten Koelte, waarvan de grijze aarde houdt, —
Zooals een orgel zijt gij opgebouwd:
Pijpen van klank en fijne hooge sprieten, Die uit hun steigering stemmen loslieten, — Te roepen staat gij, klanken wachtend hout.
Des ochtends komt uw hemelsche bespeler, Uw organist, uw goudenklankuitdeeler, — Zijn voet aanraakt uw donkerend pedaal, Zijn vingers zijn op dansende lichtstraal,
Hij loopt met trillers langs uw stammendos, En uit uw takken breekt verrukking los.
90