Het zes-dagig kindje ligt gerust,
En het houdt met beide handjes vast Zijn jong leven dat het heeft getast,
En er komen van zijn lippen uit Kleine krakelingen van geluid,
En het rekt zich, geeft een hooge schreeuw, Wil dan boven uit de wolken sneeuw Van zijn witte bedje naar het licht,
En het roept met rimpelend gezicht Dat het honger heeft en Een na Een Komen teere handen, brengen heen Zeer behoedzaam, kindje’s kleine vracht, Naar het wereldje, waar moeder wacht,
En met oogen iets tot; kindje zegt; *— Kindje voelt zich worden aangelegd Aan iets teeders, zachts, iets als satijn,
En het bijt daarin en doet het pijn, —
Maar niet spreekt de moeder, en zeer stil Buigt zij tot het kindje, want; zij wil Dat het kindje bij haar borst verblijv’,
Dat het ete, neme' van haar lijf,
Voedsel voor den honger, dien het heeft,
En de moeder voelt, hoe zich begeeft Uit haar, drop na drop — en o ver-vloeit Tot het kind, dat aan haar lichaam groeit, Tot het kindje, dat voor haar bereidt,
Pijnen en de hoogste zaligheid.
92