Nu ligt gij in den schemer en ik droom Te luisteren bij het oer-oude zingen,
Dat de natuur gaf, vóór haar vormen gingen Zich scheiden-af, een arbeid diep en loom.
Want alle nacht geschiedt weer dit hoog wonder; De schemer roept ze ten gemeenschap aan,
Zij komen vloeien-af hun verre baan,
Ten oost en west en noord en zuiden onder.
Dan stijgt weer samenspel uit hunne koren.
Zij wisselen hunne ervaring uit;
Uit ster en bloem en steen en plant en kruid Wordt nieuwe schoonheid op de aard’ geboren.
Ik lig en luister, nevel trekt al op,
De sterren groeien aan de hemel-bogen,
Een blauwe nacht staat stil en onbewogen, — Maar in mij hamert rusteloos geklop.
Wanneer zal ook uit u, o maatschappij,
Donker reusachtig web van vreemde cellen, Gemeenschap en uitwisseling doen snellen De nieuwe schoonheid die den mensch maakt vrij ? —
89