Ik hoorde mij niet meer, het Vaderland Werd tot een oud, onkenbaar stuntlig woord,
Ik had geen werker lief, ik zag hem niet Opschijnen in de wereld als Verlosser,
Ik haatte niet, ik zag niet meer den Heer Des loons, met de grijpgrage sterke handen,
Ik wist niets meer van God — o vreemde naam, Van iets dat wezen wilde en nooit was,
Ik zag het ras niet meer, waaruit ik kwam, Alleen zeer vaag, zag ik mijn oude Vader,
Hij knikte mij gul toe, hij vond mij weer,
En in de verte zag ik ook mijn kinderen,
Eén oogenblik doorsidderde mijn mond,
Een roep, als wilde ik van hen afscheid nemen, Toen werd ik geheel stil, een ander mensch,
Een niemand hatende, een niet beminnende,
Een, die niets wilde, dan te zijn een kracht, Menschheid te dragen tot een hooger plan, Gangen te boren naar een nieuwen weg, Vonken te stooten tot een blauwe vlam,
Steenen te dragen tot een nieuw plavei,
Een, die niets wilde, dan te zijn, de kracht Die opkomt in het Ruim, elementair,
Niet hatende, niet minnende, maar doend,
Een die de menschen maakt bewust, en fel,
En in hun harten giet opstandig woord,
Dat gloeien blijft, en opschiet tot de Daad, Omdat het Tijd is uw tijd Communisme.
90