Machtig zal stralen tot menschen het kostbaar geheimt Licht, dat gij hield in de schaduw van afgrond en holen Kracht, die gij droeg, zooals dichters het zingende rijm Binnen hun lympha en luisterende cellen verholen.
Zichtbaar zal worden, wat ligt in het zichtbre gedoken Drang der atomen, te bouwen een welvend geheel,
Alles is overgang, bloem wordt een klankspel ontloken, De aarde wordt hemel, de stilte een klinkende veel.
Steeds u te weten omringd van het rythmische zwellen, Stemmen opkomend uit gronden van akker en hei, Zangspel gestegen uit steenen, en struiken, en wellen; Niets dan gemeenschapsatomen zijt gij, en zijn wij.
Oneindig in ons zijn de luchten en zeeën en kleuren, Eindloos het spel van de lijnen, die komen en gaan,
Dood schrikt ons niet, hij is een van de tallooze deuren, Waarachter het leven verdwijnt, om opnieuw te ontstaan.
Naar de Gemeenschap heen leven, en niet naar uzelven, Weten dat gij, een van vele verschijnselen zijt,
Zwaaiend ten overgang, binnen de ruimtegewelven, Naakt en bezitloos, maar lichtend, en zingend altijd.
Sluit u aaneen, ook in u is oneindig ontloken,
Drang der atomen, die zeeën en zonnen verbindt,
Taal der gemeenschap zal worden op aarde gesproken Nieuw wordt het Wereldruim, lichtend de Tijd die begint.
91