De Liefde, zij is voorkeur, zij is keuze,
En de Natuur zij is voorkeureloos.
Zij kent de Liefde niet, zij is saamhoorig,
Hooger dan Liefde, reikt saamhoorigheid. Saamhoorigheid der zich bewust gewordenen; Behooren tot het dier, de lucht, de zee,
Den boom, den grond, de ster, de bloem, de zon, En even argeloos en even eeuwig,
Zoo wilt gij, dat uw kinderen zijn, natuur, Werpen de liefde tot zich zelve uit,
En weten dat zij zijn gemeenschapwezens, Gegroeiden uit üw schoot, getakten Aan üw locht, gevlochtenen aan üw eeuwigheid, Die zich in overgangen openbaart,
In hen het diepe ruischende verlangen.
Het uit u stroomende, de wilde trek,
Op tocht te gaan door heel het wijd azuur,
En zich aan uw oneindigheid te geven Om één moment de eeuwigheid te zijn.
Eeuwig wordt onze adem, wordt ons lijf,
En onze oogen, onze hersens, voet En hand, en pees en spier, en knook, en huid, Het oogenblik, dat wij saamhoorig zijn.
En al het huidige viel van mij af,
Ik werd doorzichtbaar als de atmosfeer,
En ik zag door mij heen. Gehechtheid aan De schoonheid van het dichten was verdwenen,
89