Dat zij uw wreedheid dragen, met een lach Van den Verwinnaar, op het bleek gelaat,
Dat zij de bitterheid van uwen drank, Uitdrinken, of het gele nectar waar,
Dat zij U zegenen, terwijl gij slaat,
Dat zij rechtstandig blijven, overend,
Terwijl uw hand hen aan de schenen grijpt, Dat zij de lip vastzetten en den vloek Weerhouden, dien Gij uit hun nieren perst, Dat zij u loven, gij, die hen minacht,
En in het stof gebukt, uw schoonheid roemen, Ik heb u in het hart getast, natuur,
Ik heb den klop vernomen van uw bloed,
Niet liefde is het hoogste, Liefde is
Een rimpeling, een handreik, een voorover-
Buigen van de stoffen, kus en lach,
Een nadering is zij, een zoet gebeur,
Een melodie geopend door twee menschen, Binnen de orkesten van het AL Liefde is het eigene, het onvervangbare, de geur, de klank, de kijk,
De sfeer biezondere, het verre land,
Waarin gij wel zoudt willen zijn altijd,
Zij is de zoete nadering, een vol Geheim, dc zaligheid van nu te zijn,
De over alle dingen zwevende,
Een vogel in het Ruim, zijn lijf is kleur Gevangen in een straal, — zoo is de Liefde,
De Liefde die het Al liefheeft, is niet.
88