Van de nieuwe gemeenschap der Menschen

Titel
Van de nieuwe gemeenschap der Menschen

Jaar
1924

Overig
Een gedicht

Pagina's
85



Waarvan zij het bestaan in zich voor voelen In hun opveerend lijf, dat zich wegstort Begeerig, naar dit trantele, dit verre,

Nog niet aanwezige, dat ergens leeft,

En wacht, en wiegt, en blinkt, en zich beweegt, En golvingen uitzendt zijner muziek,

Binnen het rillend sterke wentlend lijf,

Van het milliarden vogels tellend heir.

O dees bewogen eindelooze stoet,

Ontzachlijke in het oneindig ruim,

Tusschen de hemelen en aarde kruisende,

Het golvend grijs gevaart van pluim en rug, Een eiland van gevedert opgestegen,

Van kop en staart zeemijlen lang aaneen,

Als in elkaar geschroefd. Ieder zijn plaats, Onaangezegd heeft hij haar ingenomen,

Het rept zich aan elkander voort, een lijf Dat sluit het zonlicht af, en grijpt den wind,

En steigert over hem, en stort zich in De geulen van de wegflappende lucht,

En rijst van Noorderbreedte naar het Oosten, Een Heir oneindig stroomende zijn lijn Omhoog, omlaag, van duizend golvingen,

Alsof er tusschen hemelen en aard,

Een nieuw gebied ontstaan was, dat verschoof Een werveling van lijven, saamgegroeid,

Eéne ontzaglijkheid, die zich bewoog,

En wentelde, begeerig in haar wil,

Te gaan daarheen, waar haar de Verte riep.

86

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.