Van niets te zijn, dan alles in gemeenschap; Wanneer gij zijn zult tusschen ons, o straal Die maakt bewustzijn lichtend in den mensch, En doet hem werpen af het zieke hout,
Waarop hij heeft gesteund de Eeuwen lang. Vermolmde godsdienst, rottend kapitaal; Wanneer gij kameraadschap, in het hart Zult zinken van de menschen tot een wil,
Te gaan, te gaan, zooals de vogels gaan Wanneer de roep der verte in hen laait,
Zij gaan, ziet gij ze gaan, den hals gestrekt,
De vleugels vouwende, wiegende lijn,
De sterke korte pooten ingetrokken,
De koppen platgelegd, de oogen stil,
De scherpe blinke snavels zwijgende En vastgezet in onverzetlijkheid,
Van niets te zijn, dan één onmeetbare school, Die zich beweegt als tot een lijf gegoten Van giganteske lengte op de lucht;
Zij zijn doorsidderd van een vreemde drift, Verscheidenheid van soort is dood, zij zijn Ieder van zich, noch roofvogel, noch prooi,
Zij weten niet meer dat zij zijn van zich,
Zij zijn niet meer, alleen te zaam zijn zij,
Zij voelen niets van zich, honger noch dorst, Vreesachtigheid, noch moordlust, kou noch pijn, Er komt niets in hun vooglenkoppen op Dan het doordringend weten, dat zij zijn,
Koers zeilend naar een ver gezegend land,
85