Met zachte veer, in teekens van muziek, Waarop de zon en maan en sterren dansen. — O door u heen te gaan, door uwen zang,
Door uw oneindigheid, — te vangen op Van ster en zon en maan en zee, de klank,
Als met de hand de spatten van een drop,
Dan uit te klinken die gij zijt o zon,
O zee, o ster, met een fel klinkend woord,
Dat vastgespijkerd in de luchten blijft,
Zooals uw sterren, fonkend aan den hemel; Die zou ik willen zijn, maar ik ben niets,
Ik ben een wankele, nog niet opgaand,
Ik ben nog niet een mensch, ik ben niet waard, De hoogten van uw hoogen wil te naderen,
O gij natuur, die met muziek omgeeft,
De kleine vragen van mijn arme brein.
Maar eenmaal zal ik opgaand zijn, wanneer Gij treedt op aarde, fonkend Communisme,
Gij zuiverheid van zon en zout en zee, Begeerelooze licht, dat zich weggeeft, Bezitlooze, aan wien het al ontstroomt, Doorzuiverde, die zijt de atmosfeer,
Waarin de sterren en kometen leven,
De zeeën en het sidderende licht,
Wanneer gij zijn zult, tusschen ons, o licht,
O gij gemeenschap, weldoend Communisme, Dat ons opheffen zal uit dezen staat Van knechtschap, kuiperije en verraad,
En kleinheid, naar de fonkende Idee,