De ongekende, de verborgene,
De ongeziene, stof en geest vereenende — Een nieuwen mensch, een werker, die uitkomt, Zal tot de diepte van zijn wezen reiken,
Zal hem een zingende gestalte geven; Rondgaan tusschen menschen, zal zijn woord Van kameraadschap en het saam behooren.
Toen werd ik alles, bloem en plant en beek, Een eenzame, een veelheid, dier en mensch, Ik zag mijzelven in, en zag het Al,
Wie had mij saamgesteld, mij blinkend dier, Sprekende cel, uit licht en stof gemaakt,
Wie had mijn mond gezet, mijn bleek gelaat, Wie had mij uitgezonden zóó te zijn,
Hij die ik was, een zich doorschouwende, Zich en de kleine wereld om hem heen,
Een lachende, met vreemd geheven lach, Daar hij de kortheid van zijn denken meet, Aan de oneindigheden in het Ruim,
Daar hij de kortheid van zijn woorden zet, Naast de oneindigheden van de Daad,
En de vertelling zijner fantasie,
Naast de vertellingen, die gij natuur, Uitschrijft met vaste hand en stalen stift Op boomen, rotsen, bergen, en spelonken, Of aan de ronde schil der atmosfeer,
De schelpe die om onze aarde wiegt,
83