Die bevrijd heeft zijne Energie
Niets nog weet gij, o mijn kleine mensch,
Kijker, die in de voorhoven woont,
Der inwendige oneindigheid,
Mijner nevelvlekken, lichteilanden, Wereldzeeën norsch op vlammende, Onbewusten, onontgonnenen,
Tuimelend onder polariteit Anderer werelden in tuimeling,
En ze sluitend tot geringden wal,
Kom, die gij het universum noemt; — Niets nog weet gij van het kokend licht Daar het door den Aether wordt gezeefd, Niets nog van de Zee, het schubbig dier, Dat de landen aanblaft en de ster, — Niets van de voortwentelende schijven, Die ik afzend uit mijn kokend lijf; —
Niets van het staalblauw gerande vocht, Klankspat mijner bevende Energie,
Die in alle de atomen leeft; '
Weten zult gij, wen gij hebt bevrijd, Eigen nevelvlekken, lichteilanden,
En de wereldzeeën vlammende Onbewusten, onontgonnenen Van uw donker arbeidslijf, o mensch; — Weten zult gij als de Energieën, Opgehoopt in d'onbewuste Werkers uwer maatschappij,
Zullen vrij gemaakt zijn en uitstralend; ^