Gij wilt het hooge en het lage, niet Dan met den enklen naam van „Leven” noemen, Gij zult, om wat aan schoonheid uit U vliet, Uzelven niet, om uwe schoonheid roemen.
Want alles wat gij ruischend schenkt, ontving Gij, uit het eeuwig ruischen der atomen,
De bloem, die op uw roep, den grond ontging, Hebt gij uit adem van de Zon genomen.
Gij zijt in steen, en rots, metaal, en krijt,
In vliet, en poel, in holen, en spelonken,
Gij zijt in sneeuw, dat op de bergen leidt,
Gij zijt in tepels, waaruit dieren dronken.
Gij zijt het Onpersoonlijke. Geen beeld,
Dan al wat is, geeft uw gestalte weder,
Gij zijt het zwevende, dat zich verdeelt,
In schuim en golven, opgaat, en weer onder.
Gij zijt het Communisme, de Natuur,
Geeft Eindelooze, uw beeld te aanschouwen,
Gij zijt in damp en zwavel, vloed en vuur,
Gij ligt in bladeren van de bloem gevouwen.
Neem haar tot u, o mensch, en slik haar in Met alle zintuigen en zenuwkrachten,
En maak van uw vernieuwing het begin Zie om U rond. Aarde en Hemel wachten.
60