En teekens velerlei der vruchtbaarheid,
Oneindig schijnt de hal, zooals gij zijt In waarheid, de oneindige, mijn Heer:
Zij is van wit en zwart porfier, en beeft Wanneer de zon haar nadert, goudbevlekt.
En ruischt u tegemoet, met haar muziek Van spelend flakkerende blauwe tinten, Oplaaiende, begeleidend uwen voet,
O God, wanneer Gij lichtend henenglijdt. Voorbij de pijlers, zuilen en de bogen,
Naar ’t sanctuarium, waarin gij wordt, Onschendbare, onzichtbaar aangebeden.
Wilt gij mij zien. Wilt gij mijn tempel zien,
Ik bouwde hem, om naar uw troon te reiken,
Ik wilde naar uw goddelijk aanschijn,
Ik wilde bij u zijn. Daal gij naar mij,
Nu ik mij niet vermoog tot u te heffen,
Aanzie, wat ik te uwer eer uitsneed,
En hieuw en groef in ’t koppige basalt,
Of hoor de liederen, die ik bedacht,
En op laat stijgen naast guitaar en trom.
Aanzie mijn Spinx, in haar gestaltenis,
Zij ligt ten ingang van de koningsgraven, Versteend visioen hunner onsterfelijkheid,
Haar lichaam rust, als dit een’s diers, op d’aarde, Maar aan haar lijf ontstijgt een menschenhoofd, Wiens oogen kijken naar uw Eeuwigheid;
O vreemde god, gebieder der woestijnen.
Daal tot mij af, dat ik uw oog aanschouw.
51