Muziek, — het diepe zuchten van de lente,
Het open waaien van de berkenlanen,
Het stooten en aanvonkelen van lijnen,
Het morgenlicht dat valt als klank van glazen.
Muziek, — de rijpe weelde van den zomer,
De gouden bijen zoemen in de bosschen,
De roode dennen dragen paarse vlammen,
De ruimte hangt verzadigd van zonhette.
Muziek, — de droge klank der fijne takken, Wanneer de luchten stijgen, hooger, hooger, En al de sterrenbeelden afscheid nemen;
Te wachten ligt de bleek geworden wereld.
Muziek, muziek, alom het sprakelooze Wonder dat ontstijgt aan de verschijningen, Het al-omvattende, het grenzenlooze,
Het in elkander o ver gaan der dingen. —
87