Gij zult den boom gelijk zijn, den opgaande, Die zich hoog-uit met volle naaktheid toont, En in zijn baard-haar lacht, de lucht ingaande; Hij die op aard en in den hemel woont.
Gij zult gelijk de wind zijn aan de zeeën,
Het overal voetstappende geruisch,
Gij zult de bergen naar de lucht betreen, Geheel de Aarde wordt uw hemelhuis.
Gij zult bezitter zijn en bezitlooze,
Al wat van ieder is, zij ook aan u.
Een groei van leliën en blanke rozen,
Zoo open en bezitloos zie ik u.
/
29