Amerika, ook al een diamantjood, en zegt: cals ie praat... een echt joden spoegspraakje5. Er wordt telkens over smouzen en jodenstreekjes gesproken, verachtelijk, en de enige jood die er in het boek goed afkomt is Moos Scherpenzaal, die zijn joodzijn woedend verloochent in een uitval naar zijn gemene neef Tobias Kaan: cDenk je dat ik me jood voel zoals jij ? Al is me vader honderd maal parnes, al was ik duizendmaal besnejen, dan ben ik het nog niet! Daar snap jij de ballen van! Ik verdom het! Ik wil geen jood zijn. Ik heb genoeg van jullie zwijnderij, van jullie geknoei! Jij ben een jood,jij, jij, jij... jij met je honderd pop om je eigen kind te ver-sjaggeren.’
Antisemitisme? De jodenpa met zijn bij-de-pinken jodenkindjes is in Scheveningen omringd door ‘geldpatsers, deftige Geheimraths, Frans pratende referendarisdochters, lorgnettende Duitse patroonszoontjes, rijk geworden slagers, in één woord het gewone strandproletariaat’. De afschuwelijke Tobias Kaan wordt in afschuwelijkheid waarlijk geëvenaard door de niet-joodse dames Doedelaar en Stengevis. Het is in de eerste plaats door onze gerechtvaardigde overgevoeligheid, dat de boosaardigheden over de joden ons opvallen, terwijl we die over Hollandse burgerjuffrouwen en het christendom zonder moeite aanvaarden. Bovendien, in Heijermans’ nauwkeurige realisme paste het ook de anti-joodse conversatie te Verslaan’ die in zijn dagen zeker gevoerd werd, en men kan hem niet aansprakelijk stellen voor wat de personen die hij observeerde zoal zeiden. En één keer voegt hij een vermakelijke toespeling in. Over de toneelkritiek wordt door tiende rangs-komedianten zo gepraat: ‘Die smous van De Telegraaf was het ergst. Die schreef met zo’n minachting over alles, dat je kregel werd als je het las. - Da’s zo’n bleke jood hé? - Ja, zo’n godverdommisse schreeuwer. - Nou maar die scharrelde tenminste niet. - Alsof je zo iets kon weten! - Dat zo’n vüile smous zo maar alles mocht schrijven en dat er nog lui zijn die hem gatlikken.’ De recensent die hier over de tong gaat was Heijermans zelf...
In zijn omstreden boek over W. A. Paap, de auteur van het beroemde Vincent Haman, poogt dr. J. Meijer aan te tonen, dat Paap antisemiet was en dat dit antisemitisme culmineerde in Jeanne Colette, een sleutelroman over de joodse bankier en filantroop A. C. Wertheim. Die roman verscheen in 1896, het jaar waarin Kamertjeszonde werd geschreven. In Vincent Haman (1898), genadeloze satire op artiestenallure en Tachtigers-woord-kunst, wordt ook Heijermans op de hak genomen, als Tachtiger-epigoon. Hij heet er Helmers en wordt er gekarakteriseerd als ‘kraak-hard realist,’ ‘thuis alleen in één kringetje der maatschappij, bij joden met vuile neuzen en christenen met luizen’. ‘Zijn boeken stonken,’ schrijft Paap, wiens
388