‘Waar rije we met pappa naar toe, ome ?’
‘Weetik niet../
‘Echt! Echt!... In een rijtuig zitte... met een paard er voor... Is het wéér
Sinterklaas?5
‘Néé. Niet zoveel prate.5
Maar ze kon niet stil zijn van kindervreugd. Haar koontjes gloeiden scharlaken. Haar ogen stonden groot. Haar handjes speelden met een knoop van m5n jas en ze begon gezelligjes-blij, zachjes te zingen.
Onder bet tafeltje daar ik zat daar ik gebraje vleessie at daar ik rooie wijntje dronk die al in mijn hartje klonk.
Ik had niet de moed haar stil te laten zijn.
‘Niet zinge,5 zei Leentje Plas, met dikke ogen, cje moe het zo5n hoofdpijn.5 ‘Heb u hoofdpijn, mamma?5
‘Ja, m5n engel, m5n goddelijkeid... Geef 5r even hier Alf.5 Ze hield het kind in haar armen, aandrukkend het scharlaken kopje tegen haar wit gezicht.
‘Huil u, mamma?5
‘Nee. Ik huil niet. Ik heb zo5n hoofdpijn.5 ‘Zo goed?5
Het kleine, mollige handje legde ze op het voorhoofd van Georgine.
‘Ja - zo gaat het beter. - Zul je nou altijd an mamma denke - als je rijdt -als je rijdt?5 ‘Altijd en altijd!5 ‘Altijd?5
‘Altijd én altijd én altijd en honderdmaal-en-altijd en as ik terugkom dan breng ik lekkers mee, hè mamma, wat hééééél lekkers, hè? Sjokola? Wil usjokola?5
‘Goed Ka, goed me snoetje. As je maar an me denkt en me nooit vergeet
hoor je ?... Wat heb je me vanmiddag beloofd ?5
‘Vanmiddag?5
‘Ben je het nou al vergete ?5
‘Dat ik elleke avond mot zegge: dag mamma... Maar dat dóé ik ommers altijd?5
‘Zul je het altijd doen ?5
‘Altijd én altijd en honderdmaal-en-altijd.5
‘Goed me snoetje.5
369