de kindere passé en ik verdom het! Ik laat me niet verneuke...! Wat heb-be ze die kerel uitgejouwd!... Kinderedief! Vuile smous! Rotzak! Inbreker! Lazermakkro! Wat ze maar wouen. Toen zei die ene kerel binne in: late we verstandig zijn en tot vanavond wachte as zé thuis is en toen zeit die ander wat an de stille smeris en toen zeit die tegen mijn: we komme vanavond om zeven uur terug, dan mag de juffrou eerst d’r kindere gedag zegge en dan geen gedonder hoor, anders ben je d’r gloeiend verdomd bij! - Verrek jij maar, dacht ik en ik gauw met Ka en Toos naar binnen en de deur op het nachtslot... Zulke sansodemietersL. Toen ik uit het raam, maar 5t rijtuig was weg en al de mense voor de deur en toen ging die rotte pelisie d’r op in slaan met d’r latte omdat de mense het verdomde om dadelijk door te lope - alsof de straat niet van iedereen is - en toen werd me goddome Arie van de hoek nog opgebracht, die kale salle-manders! Maar ik had de kindere... Ze motte met mijn beginne, dan zijn ze an het goeie kantoor! Sulleke snotkokers!... Sulleke lamstrale!... Mét komt Sorsien thuis en die vraagt wat is er an ’t handje... En toen zij ’t op d’r zenuwe, op d’r zenuwe..., godverdomme ik mot erom huile as ik er an denk... Die arreme bliksem! Die arreme méid! - om d’r meissies te motte misse!’
‘Nou, huil maar niet,’ zei Scherp, die haar een glas water gaf. cNou en toen vroeg ze mijn om jou te gaan hale... toen ben ik gauw met me kont op de tram gaan staan en nou weet je het! Hoe zijn jullie ook zo godverdommes stom geweest om het zó an te legge... die schape... die dot van een Ka... die Tosie. Ik zou me d’r dood om vechte... Ga je nou mee ?’
‘Ja, ik ga mee,’ zei ik bevend.
‘Ik ook.’
cNee, Scherp. Nou niet. Dank je... Nee, laat me alleen gaan.’
‘Je mot ze niet afgeve vanavond hoor. Zou je zo’n vent niet in z’n schurftige sodemieter neme dat ie schaapjes van die jare van d’r moeder haalt ? ... Wat bliksem, jullie benne toch góéd voor ze geweest!... Zo’n flikker, zo’n lazersteen die in geen jare na ze om het gekeke?... Die arme Sorsien! God, wat heb ik ’n meelij met die meid!’
Kwart over zes kwamen we op de Ruysdaelkade. cWaar is m’n vrouw, juffrouw ?’
‘Achter. Bij mij.’
‘Bij u ? Waarom niet op haar eigen kamer ?’
‘Ze wou vóór geen licht ophebbe... Als het rijtuig wéér komt... met d’r man... begrijp u... en dan vóór licht op... dat staat zo akelig... vin u ook
3 66