gaan met d’r drieje de trap af en ik schuif het raam bij me ope om es te kijke van tijd tot tijd... Net leg ik weer uit het raam en daar komt me een bakkie an en dat houdt vlak voor de deur stil. Wat mot dat nou denk ik en toen hoor ik er een in het rijtuig zegge: dat zijne ze! en medeen komt er een met een kleppet, zo’n goddomisse stille smeris en die neemt Ka op. - Jezis mierande, denk ik en ik de trap af - as de verdommenis! Hoe ik er niet afgesodemieterd ben, begrijp ik nog niet! - Van tweehoog, begrijp es an!... Net wou die Toos, die an het schreeuwe ging, ook opneme... God-verdommenisse sodemieter, wil jij met je klauwe van de kindere blijve, zeg ik en neem ’m zo het kind uit z’n po te. Toen zegt ie: juffrouw wees voorzichtig, ik ben van de politie. An me kont, lazerstraal, zeg ik: mot jij kindere stele!... Toen liet ie z’n penning zien. Nou die ken ik van vroeger, hè ? en toen zeit ie: de vader zit in het rijtuig en die het de machtiging van de president van de rechtbank, hoor je, om de kindere te neme: Ben jij de moeder ? - Nee, zeg ik: je most je goddome schame om mee te helpe an zo’n schooiers treek! - Als je de moeder niet ben, zeit de smeris, heb je d’r helemaal geen bliksem mee te maken. Geef op dat kind en bran je vingers niet. - Nou, ik vrat net zo lief me eigen stront, hè ? - Zo, zeg ik: zit de vader in dat bakkie en het de vuilik niet eens het lef om er uit te komme! - Ik naar het per tier en daar zate d’r twee en de ene die hield Ka op z’n schoot. - Nou, toen ik tegen hem! Godverdomme wat heb ik tegen ’m opgespeeld! Rotzeiker, zeg ik: mot jij kindere stele as de moeder niet thuis is ? stinkende kinderverkrachter - op je gemene smoel most je hebbe - op je smoel!... Ik ben een lekkere as ik begin, hoor! In een wip stinge d’r hope wijve om het bakkie! Kan je begrijpe: dat most ik hebbe, dat wou ik juist, daar was ’t me om te doen. - Mense, zeg ik: die kerel die haalt kindertjes weg van de juffrouw bóven, die salleman-der, die flikker! - Toen zeit de agent: wil je nou opdondere en het kind geve? Toen zeg ik: de stoep is vrij: commandeer jij godverdomme je soort, stuk stront van een kerel! Bewijs jij me, dat die smous de vader is, de kindere lijke geen mieter op ’m. Ben jij belazerd! - En toen zei de juffrouw van naastan: da’s me óók een lekkere as die begint, die kan er wel drie an: - Gooi ’m met stront die vuilik om kindere van d’r moer weg te hale! - Toen zei de agent: ik waarschouw jullie: maak me geen haarlemmerdijkies: vooruit! doorlope!... Jawel, wij lope door! Om de verdommenis niet... Wat een opstand! D’r ware wel tweehonderd mense. Toen kwamme d’r een paar andere smerisse bij en die woue met geweld beginne. Mense, zeg ik, de moeder die is effe uitgegaan voor baleine voor d’r korset en nou wil die stinkerd stiekem de twee engele van meissies weghale: laat ie dan goddome wachte tot de moeder thuis is! Ik mot op
365