‘Ik was nog zo gelukkig, - zo gelukkig, dat ze met Druif was, dat ze het góéd, dat - ze wéélde had. Zo blij als ik bij haar was, haar wat voor kon lezen. - Weet je dat zij me sterk maakte - stérk voor mijn werk - stérk bij de dood van m’n moeder -stérk in alles, in m’n leven, m’n denken... Nou lig ik leeg, zo alléén, zo alléén op m’n bed, in m’n bedstee. - Ze is weg - wég met een jockey met mooie zeemleren benen - wég - wég. Ik geloof als jij daar niet was gekomen dat ik rustig had kunnen kapot gaan -zo léég als ’t om me heen is.’
Ik zat in de armstoel, het hoofd weggezakt.
‘Wat zijn vre oud geworden,’ zei hij weer. ‘Wat is illusie een ding als een traan... Wat ben jij oud geworden... Wat ben ik léég... - Ouwe jongen, wat is er in ons veranderd vanaf die avond dat we in de Bar zaten, weet je nog?’
‘Ja, ik weet het nog,’ zei ik levenszat.
‘Toen was ik groen, jij een idealist... We slijten weg, als krijt in gore handen... We leren te passen in het leven... Herinner je je dié avond... hoe jij sprak van trouwen... met licht in je huis... licht vóór en achter... kaarsen bij je spiegél... bloempotten... Ever-green... alles een zeepbel met glansjes van goud en licht... Weetje nog? Wéét je nog wel ?... Waar zijn je meubeltjes?... Waar je illusie?... Je schoenen verslijten van het inbreken in het huis van je vrouw... Je bent vermoeid zoals ik - dóf zoals ik, leeg zoals ik... We lopen als met een etiket, met een nummer... Gister heb ik drie cognakjes lévenslust gedronken... Nou?... Nou ?... Zegje niks ?’
‘Ik ben móé.’
‘Waarom spreek je niet uit ?’
‘Ik ben moe... slap... slaap haast niet... Het evenwicht is eruit... Misschien als ik rust wor ik weer stérk, als ik Zéé zie, als niet langer de huizen me verstikken... Heb je dat óók... Het dreigen van de huizen?... Huizen die je benauwen, worgen... O, o, die stad!’
‘Nou zitten we hier met onze moeie hoofden... met onze ouwe hoofden... óp... óp... óp,’ klaagde hij.
‘Tot de zon weer schijnt,’ zei ik doffer.
‘Tot de zon weer schijnt,’ vlamde hij koortsig-verward op. ‘De zón... de oranjezon... de zon van fatsoenlijke bourgeoisie... de zon van Ibsen... de zon van Phaëton... De zón... De zón... Je kunt zes maanden krijgen omdat je Georgine liefhebt... De zón... De zón... Je kunt de kast ingaan als je je kleermaker niet betaalt - als je wat zegt van een of andere koninklijke bakvis. - De zón... De zón - als je opkomt tegen de machthebbers! - De zón... De zón - De zon is een lichtende mop in de hemel... O ja... O ja... Die óuwe, goeie, bezopen zon van Holland.’
363