tering. Voetstappen op de eenzame kade deden ons liggen met inhouden van adem. Als we tóch verrast worden ? Als de man er was ? Wat dan ? Wat dan? En in het nauwe, slechte, éénpersoonsbed verwoelden we de uren tot de morgen een lome, doffe slaap gaf. Het maakte ons kapot. Zij zag er wit uit, met kringen en zwakte onder de ogen. Ik lag overdag in het kamertje van Scherp, moe, lusteloos, óp, met grote wanhoop-van-leven.
Toen kwam dé dag, de dag die ik nooit vergeet. cs Morgens half tien werd ik wakker gemaakt door stemmen naast an. Madame Veuve Perron was aan het praten met haar dochter Amélie, met haar zoon Charles. Kaatje en Toosje speelden in de gang. Ik hoorde ongeveer dit gesprek:
Veuve Perron-, ‘Kom binne.’
Charles: ‘Daaaag tabak-Amélie!’
Amêlie: cSchei nou uit met je aardighede, snotneus! O mama ik voel me zo beroerd.5
Veuve Perron: cWat héb je dan ?5 Amêlie: cWéér bloed opgegeve.5 Charles: cJij zal te zwaar leven met je tabak.5
Amêlie: cEn zo5n rótsmaak als ik ervan in me mond heb, mama... Zo’n schrikkelijke rotsmaak.5
Veuve Perron: ‘Je ziet er toch goed uit, niewaar Charles ?’
Charles: cIk zeg toch al dat ze te zwaar leeft. Sophie maakt zich niet kapot voor d5r assurantie.5
Amêlie:c Ik voel me zo licht, zo hoe-zal-ik-het-zegge... En dan die rótsmaak... Bloedopgeve is niks... maar die rótsmaak...5 Veuve Perron: cJe moest elke morge op je nuchtere maag een glas port met een geklust ei drinke.5
Charles: cDat moetje hdar zegge. Ze geeft geen rooie cent voor d5r zelf uit!5 Amêlie: ‘Daar heb jij dan toch niet over te klage. Heb ik je niet pas vijfentwintig gulde gegeve?5
Charles: ‘Geléénd, hè? van jou neem ik niks an.5
Amélie: ‘Hij neemt niks an? Hij neemt niks an! Wat geef jij ooit terug?5 Charles: cWat ik léén dat krijg je terug!... Ik mot geen cente van jóuw fluim van een kerel hebbe... Ik leg niet op me rug om me kost te verdiene.5 Amêlie: ‘Daar zou jij ook een smoel voor hebbe!’
Charles: cMip gat zou zich nog al tijd sjenere als51 jóuw gezicht had! Ho-hoho! Hohoho!’
Amêlie: cStik voor mijn part... Wat heb ik met jóu te make!’
351