benen, die de trappen niet meer af kon en zijn dood afwachtte, kijkend dag-aan-dag naar het gewalm van de waskaarsenfabriek.
Het ‘huis’ - een, twee, driehoog - was op de hand van Georgine. Er was een vreemdsoortige, wel-aandoenlijke toenadering tussen de uitgestotenen, band van haat tegenover de buitenwereld. Mij kenden ze niet. Om bij elkander te blijven - na het advies van de correcte advocaat, om te vechten voor de kinderen - deden wij vies-listig, als wijze, voorzichtige joodjes. Overdag bleef ik weg, at in de gaarkeuken om geld te besparen, werkte op het kamertje van Scherp en tegen de avond, tegen tien uur, als een dief, rondkijkend of ik niet bespied werd, of er geen spionnen stonden, schoof ik langs de huizenkant naar de Ruysdaelkade. Daar keek ik in elke deurnis of er niemand loerde, liep het huis voorbij, keek in de verder gelegen portiekjes en éérst dan nam ik het midden der kade, floot heel zachtjes het refrein uit Lohengrin: ‘Nie solist du mich befragen...’ Er kwam een schaduw achter de tule gordijnen, de schaduw verdween en voorzichtig trok het koord de deur open. In het portaal luisterde ik of er niemand in de gangen was, deed m’n laarzen uit en op mijn kousen voet voor voet, ophoudend als een tree kraakte, sloop ik naar boven, de gang door, de kamer in. Zo ging het avond aan avond. Juffrouw Perron vermoedde alles, ’s morgens mocht ze niet binnenkomen, ’s avonds moest ze twéé vorken, twee messen, van alles twéé geven - maar ze had geen, wilde geen ‘bewijzen’. Voor de rechtbank zou ze een ééd kunnen doen. Nooit zag ze het minste. Het was gerechtelijk in orde. We deden het zoals fatsoenlijke mensen het doen. Wij gaven niemand aanstoot. Ik was de heer. De betalende. Zij de maintenee. De heer kwam voor de bijslaap, ontbeet, ging schuw heen voor de buitenwereld (die heer z’n naam, die heer z’n stand, de heer z’n reputatie). De maintenee, die zo gek was, verliefd op haar mijnheer te zijn, bracht dagen in trage verveling door, uitziend naar de avond. Het was maatschappelijk en rlgle. Bourgeoisie-ge-hoereer. Bourgeoise-ontucht. Een lichaam tegen betaling van kamerhuur, natje en droogje.
De avonden werden van angstig nachtuilenbeweeg. Buiten het zachte gefluit, de schaduw achter de tulen gordijnen, het trapopsluipen, het fluisteren in de kamer. Als de alkoofdeuren dicht waren konden we schuchter spreken. In bed, tegen het beschot van de achterkamer, durfden we niet, dempten de stemmen onder de dekens, schrikte de donkerte der kamer van een niet ingehouden kusgeluid, van het gekraak van een bed-veer. Het waren nachten van wakker-liggen, beluistering der geluidenbuiten. Als een deur dichtsloeg schrikte Georgine, gespannen van luis-
350