komme kan als die heer er is. Nee, niet graag hoor. Perron zou zich in z5n graf omdraaie als ie het zag. Was Perron een fatsoenlijke man, Geor-gine? Een gentleman, hè? Ja, die zou zich in z’n graf omdraaie... Maar wat kan ik eran doen?... Ik kan ze toch niet an touwtjes vasthoue!... Vrouwen van dié leeftijd... En wat voor vastigheid hebben ze nou? Ze hebbe het goed, da’s waar... Sophie heeft honderd gulden in de week, Amélie tachtig buiten de cadeau5s. - Laatst heeft de heer van Amélie een collier voor haar meegebracht daar wor je gewoon verblind van... En dan zo stinkend gierig! Wat ze maar kenne spare, legge ze op de spaarbank. ... Ik weet niet hoeveel Amélie al heeft staan... En ddn spele ze nog twee hande op één buik met d5r kruienier... Wat interessant, hé, om je heer zo af te zette!... Vorige maand had ze maar dertig gulden kruieniersware gehad, die Sophie, en ze heeft d5r kruienier tachtig late opschrijve. Die verdient er natuurlijk ook an... En voor d5r moeder valle ze dood op een cent!... Als ik niet te vrete had zoue ze me zo late verhongere. Zijn me dat dóchters, die een moeder twee gulden in de week afdrage?... En een kwartje als ze komme dinere!5
Charles sprak van zijn ‘zuster-in-de-tabak5 en van zijn ‘zuster-in-as-suranties5. Hij had er slag van om ze geld af te zetten, ging op visite, léén-de. Amélietje en Sophietje waren bang voor macraud-broer.
Twêêboog woonde een hoer-in-ruste uit de Nes, die respectabel ‘getrouwd5 was met een verhuurder van fietsen. Hij was meestal uit. Zij, huisvriendin van Madame Veuve Perron, gilde hoeregü-achtig-luid-ruchtig om de geringste aardigheid van Charles. Leentje Plas had een gezicht van enkel grove goedhartigheid, bolle konen, mopneus met wijd uitstaande neusgaten, sterk ontwikkelde lipgleuf, vette lichaamsgezet-heid. De eerste dag was ze al ‘vriendin5 met Georgine, kwam koffiedrinken, schaterde druk, smeet eruit wat 5r voor haar mond kwam, vulde de kamer met turbulant grof lawaai. Dat verblufte Georgine, hield haar bezig. ‘Zit goddome niet zo labberkakkig te kijke, juffrouw!... Je mot je niks antrekke! Laat ie maar komme an je kindere as ie durft... Ik giet 5m me pispot op z5n kop.5
Het was de oude, ruwe, eerlijke hoeren- en kabotijnstoon, die Georgine vreemd vond nu ze kwam uit dat stille kamertje van Doedelaar, waar zij langzaam dat plompe spreken ontwend was.
Driehoog woonden onzichtbaren, een juffrouw die jdren in scheiding pro deo lag. Het duurde wat lang - God houdt van komieke advocaten-zaak-jes, pro Deo, pró Déó - nu verhuurde zij kamers om niet te verhongeren. Ze had twee internen, een ‘zusterlid5 van de eerzame Terp uit de Nes, waar vrouwen bordeelopleiding ontvangen, én een ouwe man met water-
349