En jij had in de alkoof iets an Ka zitte vertelle-dat hij en z’n vrouw in het haar van Ka ware gevalle. Nou vraag ik je! En wat ze al niet meer verweten hebben! D’r hele huis had ik geruïneerd, d’r gordijne, d’r rotte kleed! Verbeeld je dat ouwe kleed dat ik zesmaal gestopt heb en die gordijnen die ze erges bij een uitdrager gekocht hadde! Het briefje van het vendu-huis zat er nog an!... Dat tuig! Ik, die d’r boeltje zo goed onderhoue heb. Hoe zag het er bij ons uit ? Seg nou> is !5 ‘Keurig, maar vérder.’
‘En dat we al z’n klante wegjoege... eerst met die ruzie met de naaimachine, toen was z’n winkel vol klanten, die leugenaar! Die mof! Was die maar in z’n eigen land verzopen! - z’n winkel vol klante! vól klante! Je hoorde d’r nooit een sterveling! - En toen later de herrie met Stengevis, die er met de politie was afgezet. Ik was een hoer, ik ontving heren als jij niet thuis was - zo’n schooier alsof jij niet weet wié er kwame, Karel en Scherp en Dirk en me vader - en het schandaal dat ie een andere hoer d’r had moete uitgooie! Hahaha! Die ouwe Stengevis een hoer! Daar mot ik om lache! Is die goed, hè ? En dan verwete ze nog dat ze elke morge een boterham an Ka moeste geve als wij nog in bed leie en dat ze telkens zo’n last met de betaling hadde en wie er de plee moest schoonhoue, zij of ik!... Je had er bij moete weze. Je had wat kunne hore. Ik zal maar niet zeggen waarvoor ze jou en mij hebben uitgescholde. Maar ik heb ze d’r vet gegeven al knikten me knieën. Dat wil godbeter een sociaal zijn, die mof, die leest De Rooie Duivel en is zelf te stóm om voor de duvel te dansen! Ik werd zo nijdig! Ik heb ze gezegd dat ik genoeg had van d’r hondepieskamer, dat ik wel gemerkt had dat zij haar op ons eten lei. Toen werd hij door Frits geroepen, bleef zij alleen en toen heb ik ’r gezegd dat als ze niet dadelijk van de kamer ging, ik ’r bij d’r haren d’r af zou trekken. Je begrijpt wel dat ik ’t niet gedaan zou hebbe. Het was om ’r bang te make. En toen ging ze eindelijk... Eerst heb ik een kwartier zitte huile met de deur op slot - toen heb ik in mijn handtas ingepakt jouw tandpoeder en jouw borstels en je zeep en wat hemde en onderbroeke en zakdoeke en je pantoffels en me lorgnet en je brieve en wat ondergoed van Ka - toen heb ik de twee deure op slot gedaan en ben ik met de twee kindere weg gegaan -en geen voet zet ik meer in dat vervloekte huis!’
‘Arme, dikke Mol.’
‘En ik héb al een andere kamer.’
‘Waar?’
‘Op de Ruysdaelkade over de waskaarsenfabriek bij uitstekende mense.’ ‘Alweer uitstekend ?’
‘Een vroegere vriendin van me moeder. Een engel van een mens. Die
347