houe... Ik had geen rust... Ik dacht an allemaal angstige dinge... an die vrouw die ze laatst vermoord hebbe gevonde... an Parijs waar de manne de vrouwe doodschiete als ze iets doen wat niet goed is... Telkens weer liepeermense in het portaal... Télkes weer... Toen dacht ik: nee ik blijf hier niet... Ik ga een andere kamer hure.’
‘Een andere kamer?’
cJe heb toch gezegd da-we zoue verhuize... Moest er dan niet uitgekeke worden naar een andere kamer?... Ik deed het om een lopie te hebbe, om érges heen te gaan... Ik stond te beve van zenuwachtigheid...’
‘Verder?’
‘Toen we angekleed ware, riep ik de juffrouw bove om een boodschap voor jou achter te late en toen gaf ik Dirk op - zo maar- zomaar - ik wou maar een uurtje uit... En toen zegt Ka ineens - wie let op zo’n kind ? - juffrouw we gaan lekker naar een huis kijke>. - Ik herinner me helemaal niet dat ik het ’r verteld heb, maar met me zenuwe was het best mogelijk. Toen had je dat smoel motte zien! Wit werd ze van nijd! Die had gedacht dat we nog zoue bijdraaie!... Verbeel je!... D’r kerel kwam er ook bij, jawel zonder kloppe, alsof de kamer niet van óns was! En toen had je es moete hore wat die twee er uitgeflapt hebbe! Wat ze maar voor d’r mond kwam! En dat tegenover een weerloze vrouw! Ja, ze zoue het gedurfd hebbe, as jij erbij was geweest!... Wat een tuig! Ze hebbe ons gewoon altijd beluisterd! Je kunt niks verzinne of ze wiste het! As me man kwam zou die hem wel inlichte, zou hij getuige. Weet je wat de schoft gedaan heeft ? Raad eens ? Nou raad eens ? Je zult er van opkijke! Je wordt er misselijk van als je het hoort: die heeft een paar keer met Frits door een gaatje van het behang staan kijke als wij ’s morgens in bed leien!... Wat zeg je van zo’n smeerlapperij ?’
‘Laatje toch niks wijs maken!... zó patserig-vies is die man niet geweest.’ ‘Hij heeft het me zelf gezegd. Voor de rechtbank, als er een proces van kwam, zou hij getuige dat ie door een gaatje van het behang ons in bed heeft zien liggen.’
‘Wat een ploert! Wat een schoft! Dat zwijn met z’n bediende.’
‘Dus je weet wat ons boven ’t hoofd hangt, als er een proces van komt... We hebbe haast geen woord gesproken of ze hebbe het opzij of benede afgeluisterd. Ik stond gewoon verbluft. Ze gooiden me alles voor me voe-te. Ik had op Sinterklaasnacht an jou gezegd dat het zonde was om zoveel geld voor Netje uit te geve.’
‘Dat heb je toen ook gezegd .’
‘Wat doet dat er nou toe!... Ik had op die avond dat jij beneden heet water was gaan halen gezegd dat ze lammelinge ware. Weet jij er wat van ?
346