‘Mag iek er nog een dag over denke met mijn vrouw ?’ cGa je gang. Zeg het me morge dan.’
‘Uitstekend mijneer. Wiel u nog niet een vlammetje?5 ‘Pas u op voor de drempel meneer.’
‘Goeien-avond.’
Buiten was het avond geworden. In de winkelkasten spiegelde licht. Tussen de kantlijnen der daken lag een straat sterrenhemel, een straat zwart, met lichtplasjes om élke ster. Ik keek naar de hemel, de sterren, de hijsbalken, de puntige oppuiling der daken. Er was iets moe’s in me, iets ver-leefds, een gevoel van kleverige handen en óngeschorenheid.
Op de stoep vóór het huis van Dirk liep zij heen en weer met de twee kinderen.
‘Goddank dat je komt! Ik was zo bang je mis te lope... Dirk was niet thuis...’
‘Wat is dat nou? Ik begrijp niks van je! Hoe kom je op het idee om naar Guus en Dirk te gaan, terwijl je weet dat ik met Guus niks meer te maken wil hebben! Hoe kom je erop!’
‘Ach toe wees niet zo driftig,’ smeekte zij. ‘Ik ben zo op, zo zenuwachtig ...Daarnet dacht ik dat ik tegen de straat zou slaan... Heeft ie je niks gezegd, die Doedelaar ?’
‘Doedelaar ? Wat dan ?’
‘Hoe ze me behandeld hebben die ellendelingen!’
‘Jóu behandeld ?... En ik heb wel een half uur met hem en zijn vrouw over koetjes en kalfjes geredeneerd!’
‘O wat een vuilike zijn die lui! O wat een tüfg! Wat een tüfg! O wat wor ik gestraft!...’
‘Wat is er dan? Huil nou niet op straat... Geef mij een arm; laten we elk een kind nemen... Jij mij een handje, hè Ka?... Wat is er gebeurd? Wéér een scène?’
‘Ja, weer een scène. O die mense! Die mense! De mense maken me dóód!’ ‘Wat hebben de ménse je dan weer gedaan, Mol?’
‘Ach jij ben zo’n engel! Als ik bij jou ben voel ik me dadelijk gerust!’ Ineens gaf ze me een zoen.
‘O mamma! mimma!’ lachte Kaatje.
‘Geef jij me er ook maar een, Ka.’ Georgine begon te vertellen:
‘Toen je de deur uitging wer ik zo angstig. Telkens as er iemand het gangetje inkwam om zich te late schere dacht ik dat bij het was... en die gla-ze deur!... Hoe licht trap je een glaze deur niet in!... Ik kón het niet uit-
345