gen d’r me man is d’r nou niet, kom vanavond terug. Heb ik haar nou nóg niet twee weken geleden vijf dollars gegeven ?... Toen begint ze me op te spelen... Net of het mens gek was. - < Wélke man, wélke man), zegt ze, < jij houdt er zo’n bóél mannen op na.) - <Zeg es, ben je dol),zeg ik-<waar bemoei jij je mee? Is het niet genoeg als jij je cente krijgt?) Daar begint ze me te schélde, te schélde, te gemeen om te herhalen - die koppelaarster!
- en te schrééüwen! Hou je smoel, zeg ik. Denk een beetje an de mense ?... Maar ze déé het erom, die vuilik, ze smeet er alles uit. Ze had gehoord dat Isaac weer naar Holland kwam en nou wou ze d’r cente. - Van wie zou ze het gehoord hebben? Van wie? Daar maak ik me ongerust over? Van wié zou ze het weten ? Van me schoonmoeder? Of zou hij d’r zelf geschreven hebben? Wat denk je? Vin je het niet vreemd? Wat dénk jij ?’ ‘Vertel eerst af.’
cZe wóu d’r cénte hebben. Ze was bang dat ze ze anders van de een of ander niet zou krijgen,.. Mens, zeg ik: hou je fatsoen, denk an de buren. D’r is vóór een winkel... Kom vanavond, dan zal Spier je betalen!... Nee, ze ging niet weg. En weer an het schelden en an het schelden op jou, dat jij zo’n kale rot was, dat ik te stom was om voor de duvel te danse dat ik met zo’n armoedzaaier de hoer speelde - dat waren d’r eigen woorden! Hoe vin je het ? Wat zeg je er van ? Is het niet beestig! Hè ? - dat ik het zo goed had kunnen hebben als ik met die resident - hoe heet die vent ook weer?
- die Vermeulen als huishoudster naar Indië was gegaan!... Toen wer ik woedend en schold ik haar uit... en haar man... die lummel die d’r helpt om de was te boenen!... En toen zij d’r bovenop!... Alles flapte ze eruit! Alles wat ze maar van me wist!... Want ze wist alles, dlles... En daarvoor was ik bang... Maar nou bén ik niet meer bang voor d’r!... Nou heb ik er ook de waarheid gezegd!... Van Barend... van die bankierszoon! Van die officier van de marine, alles schreeuwde ze hardop, expres-hardop, dat ze het benejen zouen horen, dat ze het zouen horen... Dat serpent... Dat varken!... Dat me halfop de verkeerde weg heeft geholpen met d’r raadgevingen!... En toen die vuilik benejen, die pestmof alles goed afhad geluisterd, toen kwam die binnen en begon ook op te spelen, dat er klanten in de winkel waren, dat het een schandaal was! - Geen énkele klant was er! Op me woord van eer - er was er niet één. Dat loog die. Dat zoog die uit z’n duim om binnen te kunnen komen. En toen ging die Stengevis nog es an het vertellen en an het schreeuwen en toen zei ik dat als ze de kamer niet afging, ik haar d’r af zou smijten. God, ik warzo woedend. Ik had ’r kunnen vermoorden. Die Judas. Dat wijf. Dat kreng om alles zó te schreeuwen dat die vuiliken benejen het konden horen!... En toen die mof weer. Of het nou god-hier-en-daar gedaan was, dat z’n hele affaire
327