dokters ?’
En ik begon mee te praten. Wij praatten alle drie, tot het uur dat hij bij ons wóu doorbrengen in lauw gesprek-gegrinnik verwezenloosd was.
Vroeg kwam ik thuis. Georgine, bleek, met blauwe kringen onder de o-gen, lag in de leunstoel. Haastig veegde ze de kaarten van de tafel.
‘Wat heb je gedaan ?’
‘Niks...’
‘Jawel. Je heb wat gedaan.’
‘Tk heb de kaarte voor Ka gelegd.5 ‘Hoe kun je dat doen!’
‘Ze staan op niks. ïk kan er niet uit wijs worde. Maar ze is zo onrustig -ze gloeit weer zo.’
‘Natuurlijk. Het is vannacht de crisis... Half negen. - Nou moest jij gaan slape. Je ziet er érg vermoeid uit.’
‘Ik ben dood op van vannacht en gisternacht.’
‘Ga dan slape. Ik ga zitte schrijve tot een uur of drie, hè ? En dan waak ik meteen.’
‘Nee, laat me opblijve.’
‘Je gaat naar bed.’
‘Ik ben zo ongerust! Zo ongerust! Het is net alsof er iets boven me hoofd hangt.’
‘Dat doet het ook. Kijk maar naar de spiegel!’ spotte ik. ‘En nou naar bed, naar bed! Dan heb jij rust en ik rust.’
‘Als je maar weet da ik tegen twaalf uur opsta.’
‘Goed. Goed.’
In de rusteloosheid van het kamertje begon ik met onfris hoofd te werken. Vóór ging telkens het schelletje in de barbierswinkel over en de gesprekken bromden door de alkoof. Wachten tot de winkel gesloten werd, tot het helemaal stil was. Even keek ik naar Ka, die met gloeiend gezichtje, benauwd-pieperig te ademhalen lag. Waarom ik zo van dat kind hield ? - In de voorkamer heen-en-weer lopend op mijn kousen, dacht ik erover na, over die mogelijkheid van dood, die me desperaat maakte. Kaatje was een deel van mezelf geworden. In haar adoreerde ik leven in zijn teerste wonderbaarlijkheid, in zijn grootste geheimenis. O, een kind is mooi bij dag en bij avond, als het praat, als het gaat, als het slaapt, bij ochtend en nacht, een kind is mooi als het kijkt, vraagt, droomt, lacht, beweegt, begeert.
Een kind is als zonlicht op weiden en de dagende, rodende dag en de pur
320