ongerust. - Maar het is nou wel seve weke... dat kan ik niet uitsinge... En verschot van het kind!... Geef jij mijn maar het geld van de angete-kende - dan geef ik jou een kietansie en steek jij er geen cent van in je sak - Is het waar of niet ? - Soveel sendt ie je niet en solang je nog niet gescheien ben mag je toch wel wat anneme voor je kindere... Heb ik gelijk of ongelijk?5... - ‘Ja, da’s waar,5 zei Georgine, de brief openscheurend. Ze legde een paar greenbacks op tafel, las haastig het halve velletje postpapier, verscheurde het zonder me aan te kijken, wierp de snippers in de kachel. - ‘Mócht ik hem niet leze?5 vroeg ik. - ‘Ach, wel jd... D5r stond niks in... Niks wat jou kan interressere.5 ‘Dan had je hem ook wel kunne late lezen.5 - ‘Hé, zanik nou niet... d5r stond niks in... Zeker heeft ie m5n brief nog niet ontvange5... - ‘Dat kón niet...5 - ‘O? Kan dat niet?... Hoelang doet zo5n brief erover ?... Hij schrijft enkel maar: hier heb je vijf dollar en zoen de kindere... Anders niks... Wat kijkje me nou an?... Denk je dat ik jok ?5-‘So5n brief naar Amerika,5 meende juffrouw Stengevis, de banknootjes in de kalkhanden verkreukelend, ‘...doet er wel een drie weke over, sou het niet?... Drie weken en drie weke dat sijne d5r ses... reken dan maar uit.5 - ‘Niewaar?5 zei Georgine, ‘da5s toch zo5n ongelovige To-bias!5 - ‘Dan krijg ik nou nog viér weke, Sorsien... Daar kom ik dan wel es om na een dag of veertien, hè?... Ik sal nou maar gauw weggaan hè, anders is het wisselkantoor dicht... Kom Tosie... Dag Kaatje! Beterschap hoor!’ - ‘Dag moeder,5 riep Ka uit de alkoof.
‘Zo iets moet je nu nóóit weer doen,5 zei ik toen de deur achter Stengevis dichtging;.
‘Watte?5
‘Je wéét wel wat... je zou me achterdochtig make.5 ‘Hé, schei uit!... Je zoekt overal wat achter.5
Tegen de avond werd Ka weer onrustiger. Bax was 5s middags geweest, had de toestand vrij gunstig gevonden.
‘Als die dokter van jóu het maar goed weet.5 ‘Maak je ddar niet ongerust over.5 ‘Kijk es hoe ze gloeit.5 ‘Afwachten. Rustig afwachten.5
‘O mamma! mamma!5... Een zware benauwde hoestbui deed het kleine kinderlichaam in schokkende krampen stuipen. Het gezichtje werd blauw. Het mondje zoog lucht met pijnlijke fluitingen.
‘O God me arm schaap! Mijn schatje!... Ik kan het niet anzien, niet an-zien!5
Zenuwachtig-huilend hield ze het kind rechtop.
313