Het klokje bamde steeds maar voorty yt Kerkje tot bidden noodde.
O, zo ik innig bidden kon,
*k Bad voor elke dode.
XI
O, Lente, groot in uwe fiere machte Als alles nog in vorst en sneeuw geboeid
En wenend bloem en vogelen wachten,
Op kus van u en ’t leven bloeit.
En als ge komt op uwe nieuwe schreden En als de aard*, in sonfbre kille smart,
En uwe lippen drukt op bloemen zwaar geleden.
Glorie van godheid, goude Lent* in yt hart.
Die tere kus die bloem en vooglen doet herleven.
En baden zich in zee van zonneglans,
In frisse blanke dauw, en dartelend vlinder zweven,
Dan, tooit ge u met gouden stralen krans.
Heil dan o lente, met uwe gouden stralen,
Betootfrend schoon zijt ge door yt zilveren gekweel,
Als blank zacht, leeuwrikken door *t luchtruim dwalen Van topazen blauw, wolkjes zacht en geel.
Aldus waren de naïeve gedichten van mijn ingeslapen vrouw. Een allerlaatst vers was zo begonnen:
XII Ziek ! Is ze ziek mijn lieve kinderkopje! mijn roze knopje! bloeide ze om me heen.
O laat mij God nu klagen
Hoor aan mijn stil en droef geween
Het is uw schuld!, zo klaagt thans mijn geweten
Het is uw schuld!
O, ik kan met meer schreien Ik zal...
308