Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



Het klokje bamde steeds maar voorty yt Kerkje tot bidden noodde.

O, zo ik innig bidden kon,

*k Bad voor elke dode.

XI

O, Lente, groot in uwe fiere machte Als alles nog in vorst en sneeuw geboeid

En wenend bloem en vogelen wachten,

Op kus van u en ’t leven bloeit.

En als ge komt op uwe nieuwe schreden En als de aard*, in sonfbre kille smart,

En uwe lippen drukt op bloemen zwaar geleden.

Glorie van godheid, goude Lent* in yt hart.

Die tere kus die bloem en vooglen doet herleven.

En baden zich in zee van zonneglans,

In frisse blanke dauw, en dartelend vlinder zweven,

Dan, tooit ge u met gouden stralen krans.

Heil dan o lente, met uwe gouden stralen,

Betootfrend schoon zijt ge door yt zilveren gekweel,

Als blank zacht, leeuwrikken door *t luchtruim dwalen Van topazen blauw, wolkjes zacht en geel.

Aldus waren de naïeve gedichten van mijn ingeslapen vrouw. Een allerlaatst vers was zo begonnen:

XII Ziek ! Is ze ziek mijn lieve kinderkopje! mijn roze knopje! bloeide ze om me heen.

O laat mij God nu klagen

Hoor aan mijn stil en droef geween

Het is uw schuld!, zo klaagt thans mijn geweten

Het is uw schuld!

O, ik kan met meer schreien Ik zal...


308

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.