O, vreugdevolle kinderjaren
Wat bracht gij mij blond kind voor vreugd en heil.
O, gouden jeugd, vol zonnige lentedagen.
Foor mij geen lente en voor mij geen heil.
En dikwijls kwamen rijke beren.
Ze vroegen aan mijn moeder mij te koop.
Belust op *t mooie, blonde kinderhoofdje.
Mijn goudblond haar, mijn flinke vorm en leest.
O rijken, die armen bet brood ontnemen Uw geile zonen, die met bun kapitaal De docbtren ook trachten af te kopen Als zwarte zorg de ouders nijpend drukt.
O, maklijk valt bet meisjes der hoge standen Te smalen op de diep gevallen vrouw,
Voor boer en dief u neuzen op te balen Als gij op kostschool of bij moeders pappot zit.
x
Ik zag twee zwarte kruisen staan,
Geplaatst in ongewijde aarde,
Geheel alleen in schaduw boek,
Van ongewijde aarde.
Ook stonden er kruisen wit en zwart,
Beschermd door muur van rode stenen,
Daar rust de dood, zonder smet of blaam Door zonnegloed beschenen.
Bimbam, zo klinkt het klokje luid Bimbam, met zware, lome galm Bimbam, o dood, in ongewijde aard,
Bimbam, rust gij ook zacht en kalm ?
En ’t berfstwindje ruis-suisde zacht,
De blaadjes vielen teder,
Ze vlogen op gewijde aard3,
Toch ook op ongemjde lagen zij neder.