VII
Weer gaat een scbipü! met honderden soldaten
weer gaat het schip met mannen in volle kracht, om in verre tropen te gaan strijden.
Ze staan geschaard en uiten geen enkele klacht Nu gaan ze vechten, nood en ellende lijden Nu gaan ze vechten verwijderd van ons En de ouders moeten hun zoons verliezen En yt moederhart breekt bij het laten van het kind.
Hoe menig man gaf niet zijn leven,
verkocht zijn lichaam voor des bandgelds bloedogen prijs
om dat zijn arme ouders dan te geven.
VIII
*t Is laat in de nacht
Men snelt huiswaarts benen
Sneeuw vlokjes dwarlend in de lugt,
de kou bevangt een elkeen,
een snerpende vorst. En toch een droef gezucht
stil smart gekerm, gesmoorde tranen sprangen
twee kindertjes bedolven onder sneeuw bevangen door de kou
trachtend van elk een gave te erlangen
Een kleine aalmoes kermt de vrouw.
Gij arme vrouw gij zijt wel te beklagen yk voel de smart die het uw lijden doet om zoo voor uwe kinderen brood te vragen.
Ik lijd met u, o ween! O, tranen doen zoo goed.
Dinsdagavond.
IX
Ook ik was kind, ook ik bad kinderen-illusie,
Ook ik bad graag yt moois dat 1k bij and’re kind’ren zag.
Doch niet lang mocht ik kinder-denken houden.
*k IVas groot en slank, verdiende vroeg reeds geld.
306
1
t Brood verdiende ik met mijn arme ouders>
Die in den vreemden zochten bun bestaan.
Geen thuis, geen school was mij ooit toe gewezen Als paria in woestheid opgebracht.