Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



‘Ja, bij God, da’s een schande!’

‘Raak me es an! Raak me es an!... Het is mijn huis, vuile makkero!... Kom es an me lijf!... Kom es an me!... Oe!... Oe!... Oe!.. Die ké-rel!... Die kééééérel!... Oe! Oe! Oe!’

Haar ingehouden galmen braakten over in vette strotbrullingen. Voor de deur viel ze op de grond, de handen krampachtig vastgewroet in de haren. Haar ogen glansden wijd-open. Uit de vierkant-verrimpelde vlezige mond rauwde het gorgelende strotgebrul, dat in de halfdonkere kamer als dierlijk gejammer rondkrijste.

‘Hóü dan toch je bék, Duif,5 smeekte Dirk, gedempt, ‘denk toch an de büre!’ Zijn sterke armen schudden haar heen en weer.

‘Ze heeft een toéval/ zei Meijer, stroef, die haar van ouds kende.

De juffrouw van boven klopte juist aan, duwde de deur tegen de vleesklomp op de grond, wrong zich door de deurkier, knielde mee.

‘Ach gotogot!... Het de stumper een toeval!... Ach jesis!... Ze hield ook zóveel van die Stién!... Ach gotogot!’

Ze snoot haar neus van aandoening in haar paars schort, begon Duif in de handen te kloppen.

‘Late we d’r bij óns brenge,’ zei Dirk.

Met hun vieren droegen ze Duif naar de voorkamer, waar het rauw gekrijs weerklonk.

Ik ging licht-bevend naar de bedstee, keek naar het waswit dodenhoofdje, vermarmerd in het slappe kussen, schoofde gebloemde gordijnen voor het schemervierkant. En gaande naar de voorkamer trapte ik tegen de hoge hoed op de grond.

Thuis wachtte Georgine, ongerust, erg nerveus om Ka, die naast Netje in de gangbedstee, bezweet, hoogrood te woelen lag, telkens benauwde hoestbuien had. Doedelaar en zijn vrouw waren dadelijk na mijn vertrek begonnen met sarren. De hele avond hadden ze gezongen, lawaai gemaakt.

‘Dat zal ik ze mórgen wel inpeperen,’ dreigde ik. - ‘Ik ben zo ongerust! Zo ongerust! De hond benede heeft strakkies zo akelig gehuild.’ - ‘Klee je nu maar uit...’ - ‘En die dood van StientjeL. - Als God rqij nou eens strafte Alf, voor mijn slecht gedrag!’ - ‘Wélk slecht gedrag? Heb je je iets te verwijten ?’

‘Ben ik dan geen sléchte vrouw!’ huilde ze greinend-nerveus.

‘Slécht ? Slécht ? Wat slecht ?’

‘Dat ik met jou lééf... een getrouwde vróuw met twee kindere!... Als God me es in me Kaatje strafte!’

298

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.