koppig, altijd in dezelfde gedempte angstige toon... cd’r late verrékke... d’r late verrékke, gemene sodemieter met je péls!... Mijn voor alles late opdraaie! Mijn alleen!5
‘Toe nou Duif, maak nou geen hérrie,5 smeek-fluisterde Guus... ‘hoe kin je dat nou doen - waar je kind leit... Wil je wat drinke ?... Toe drink nou wat?
Duif slobberde van een glas, begon tegen Guus aangeleund zachtjes toe-vals-achtig met bedwongen hysterische gillen te snikken... cHè, tóé-nou Duif! Je maakt ons allemaal zo akelig.5 Meijer - om geen nieuwe ergernis te geven, stond stil bij de bedstee-plank, kijkend naar dood-Stientje, wier zwarte wimpers te rusten leien op het blauw-wit vel. Zwijgen van dood-kindje mengde zich met de stilte waarin zwddr van plompheid de vijandschap van man en vrouw bitste. Boven drensde zacht kindergebler. ‘Ik dacht niet dat het zó gauw zou weze,5 zei Dirk - bang voor die stilte.
‘Ze kreeg een tweede benauwdheid, nóg geen kwartier later,5 fluisterde Guus.
Meijer keerde zich om, snoot zijn neus breed-toeterend, nam de hoed van de tafel, streek hem op met zijn pelsmouw, inwrijvend de natte striemen, vroeg zachtjes: ‘Winneer is de begrafenis ?5 ‘Woensdag,5 zei Guus.
‘Wil je me late wete, hoe laat ?5
Het verschoten tapijt betastend met de kraakjes-lachende, verlakte bottines, ging hij naar de deur, onzeker van beweging. Maar Duif, die hem had staan te beloeren vloog op, posteerde zich voor de deur, rauwde hem haar haat van lange jaren toe, pogend haar stem te dempen tot doden-kamer-gefluister.
‘Fluim! Fluim! Ben je nou blij da-je van ons af ben, hè ?... Ben je gelukkig
datje weer vrij ben... Fluim! Fluim! Fluim!5
‘Juffrouw, ik verzoek u...5 zei Meijer hees, ‘ik verzoek u...5
‘Toe nou Duif... denk toch an Stientje...5
‘Hóre zal die vuile sodemieter, die stinkende makkero met z5n fijne pels en z5n fijne hoed!... Nou ben je van ons df,hè?... df, hè?... af, hè?... Nou mijn kind dood is, hè?... Nou het schaap je niet meer hoeft te gatlikken om een dubbeltje of een kwartje, nou...5 ‘La je me door, of niet ?5
‘Huilé! Huilé! Jij, huilé! Trane die ik an me kont veeg, komedietrane! Gemene patser om je hande van me af te trekke!... Om me in de steek te late met me kind, om me te late vrete van me éige verdienste!... Ja, raak mees an! Raak me es an! Je oge krab ik uitje smoel datje de eerste maand
29 6