lend, tot de lorgnet afviel, aan het kettinkje bengelde. Na een paar minuten snurkte ze hardop. Georgine keek me angstig aan, wetend dat ik geen geluiden kon velen bij het werk, maar schoonmama werd met een schrik wakker, zei suf slaperig. ‘Heb ik geslape?... Ik dacht dat ik sliep...5 en vervolgde Couperus, die voor schoonmama5s geknipt is, telkens weder omslaand met mudjeshanden, zoekend een hoofdstuk van spanning tot ze ganselijk wegknuffelde in zacht snurkend slaapgeknikkel.
Georgine las Klóós. Wérkelijk het was een literair avondje, Kloos en Couperus, bestudeerd door mijn vrouw en mijn schoonmama. Van Eeden ontbrak nog om het helemaal modern te hebben. Georgine las Klóós, terwijl schoonmama met Wereldvrede in haar schoot vriendelijk snurkte. Georgine wóu Kloos begrijpen, meesprekend over verzen dis over verzen gesproken werd. Kloos hanteerde haar. Ze wou in hem komen, las, herlas, voelde wel een énkel gezegde van volle openheid, maar wat een vers was stond nog buiten haar teer-vrouwelijk-huismoedertjes-doen. Móói vond ze De ledige stoel - van hoe-heet-die-kerel-ook-weer - móói vond ze De twee broeders voor Bommel van Bilderdijk, vóóral in gedeelten als:
‘Zijn naam5 - co Meld hemƒ5 - ‘Van der Zaati Gerechte Hemel! hoe!
Mijn broeder! - Heb ik wel verstaan ?
Mijn God, waar kwam ik toe!
Daar valt hij, zwijmende, als versteend,
Den Spanjaard op bet hart;
Zijn armen klemmen om zijn borst;
En deze staat verward.
In een van mijn Bloemlezingen had ze het gevonden. Bij het slot:
Hij sprak. Het flikkert van de wal,
En eer men yt bulderen hoort,
Heeft de eigen kogel uit êên slang Hun beider borst door boord.
kreeg ze rooie ogen. Dat was nou een gedicht. Dat pakte haar. Maar die Kloos, die vertelde niet; dat was allemaal zo hoogdravend, zo sentimenteel. Of ik ook niet vond dat Bij de wieg van Jan van Beers goddelijk was ? Dat kon je je voorstellen. Dat was ten minste waar:...
Doch spoedig worstelt gij door al den rouw,
287