was woedent en niet opgegeten ik heb het in godsnaam maar gebruik want dat anderen was ook niets nu dag juffrouw in gedachte gekus van Door groeten van jan die zal ik eens voor u kussen dag juffrouw Georgine hou jullie maar goed hoor dag schrijf eens gauw. - Gekust door.
cZe mot nódig de komplemente doen,’ mopperde Georgine, ‘zij en Jan
zijn nog niet bij me geweest, zolang ik met Alfred ben.5
‘Nou daar weet je de reden wel van,5 verontschuldigde moeder Casper,
‘éérst wou Jan je man waarschuwe. Dat heb ik hem toen uit s5n hoofd
gepraat. Jóuw sake sijn sijn sake niet maar hij wou toch niet bij je komme
voor Isaac. Daar het ie nou só5n ongelijk niet in...5
‘Laat hem wegblijve! Ik heb hem nódig!5
‘Tja... En je vader an het pierewaaie. Ik ga morge naar De Haag. Dan süllé wij es sien. En Door die mot méé naar Amsterdam terug. Als sij bij Jan achterblijft krijge wij geen cent, dat begrijp je hè? Met je vader sijn gesmoes dat ie niet verder komt dan de straat om boodschappe te doen! Een lekker dier ? Dan sijn d5r seker sesendertig kroege in dié straat!5 ‘Nou-nou-nou,5 zei Georgine, verveeld, ‘wat heeft Alfred nou met al onze verhale te make!... Zeg u het mij dan als we alleen zijn. - Doe uw hoed nou af en wees es een beetje gezellig.5
‘Wel ja,5 zei ik, ‘een vól uur mag u praten, dan moet u wat gaan lezen,
want om half negen móét ik iets schrijven, niewaar Georgine ?5
‘En dan is die om half tien klaar en legge we een kaartje.5
‘Ja ja - jullie hebbe goed prate - maar die... Door is een straf - een nagel
an me doodkist...5
Tegen half negen begon ik te schrijven. Schoonmama had veel zin in Wereldvrede van Couperus, Georgine bladerde voor de vierde of vijfde maal in Kloos. Het gas suisde. Hét klokje tikte. De koffie pruttelde. Wél-bekende burgermansgezelligheid én huiselijkheid. Het had veel van een literair avondje. Schoonmama sloeg met mudjeshanden Couperus om, twintig, dértig bladzijden tegelijk. Dan las ze een endje, knipperde slaperig achteruit, schokte met een kleine schrik rechtop, sjokte met de mollige mudjeshanden een hoofdstuk verder, las, las met een soezerig welwillend kijken van oud vrouwtje dat de bijbel beslaapt. Na een kwartier kón ze niet meer, werden de kamerstilte, het koffiegepruttel, het gas-gesuis, het klokkegetik haar te machtig. Maar ze geneerde zich voor schoonzoon, nam een aanloop voor haar dutje... ‘Het is toch wel héél mooi,5 zei ze, wijs-knipperend naar de lamp kijkend, ‘héél mooi, héél mooi... Wat is het hier stil,hè?5 En in die sluwe overgang, als in bepein-zing der lectuur, leunde ze achteruit, tukte, met het hoofd slap wiege-
286