later wordt het een behoefte... Ik heb altijd een spuitje bij me... Ken u Prins ?’ - ‘Ary Prins ? Ja die ken ik.5 - ‘Me man leest weinig. Ik heb me geabonneerd op De Nieuwe Gids, op Elsevier en op Nederland.’ - ‘Da’s een hele lektuur.5 - cEn heus er staan wel eens aardige dingen in Elsevier. En De Nieuwe Gids begrijp ik niet altijd. Dom van me, niet ?... Het zal wel an mij liggen, niet?5 - We werden gestoord.
‘En wat heeft onze schrijver voor geheimen met jou ?5 informeerde Busse, luidruchtig, ‘zeker over literatuur, hè? Mijn vrouw, meneer Spier, da5s een puikje. Die leest meer dan alle Rotterdammers bij elkaar.5 - ‘Tilly,5 zei tante, ‘leest óók de hele dag, niewaar, Til? Dumas en Augier en Vic-tor Hugo. Wat wordt er ook voor góéds in Holland geschreven, nietwaar. Hebben wij één Dumas ? Nee. Is het waar of niet ? Noem jij nou eens een geschikt Hollands boek voor meisjes, Alfred.5 - ‘Een Liefde van Van Deyssel,5 zei ik, effen, sterk mijn been wiebelend om niet te lachen. -‘Daar heb ik nooit van gehoord,5 zei tante. - ‘Of de gedichten van Boeken,5 droogkomiekte ik, zonder dat iemand er iets van begreep. Als ik deze flauwiteit in Amsterdam zou gezegd hebben, zou ik er minstens zélf wee van geworden zijn, maar in Zaken-Rotterdam^ verdord, vermate-rieeld, stóm Rotterdam, is zo5n mopje wel aardig. - ‘Eten jullie nou,5 maande vader, ‘zo5n boutje eet je maar ééns in je leven. Eten dat góéd geld kost is de aandacht waard.5 - ‘Ze zijn voortreffelijk,5 kluifde Busse met vette verrukking, ‘én voortréflijk gebrade.5 ‘Da5s me dochter Gerda,5 zei mama blij-moederlijk: ‘Niewaar Gér?5 - ‘Jij nog een pootje, Jules?5 -‘Nee,5 zei Jules, stil op de hoek van de tafel, ‘op de late nacht durf ik niet zoveel eten.5 ‘Weet u, mevrouw,5 vroeg Busse droog an zijn buurvrouw Jeannette, ‘wat gebakken wordt en waarvan niemand houdt ?5 - ‘Nou heeft ie zeker weer zo’n echt-flauwe aardigheid,5 waarschuwde Gerda. - ‘Wat gebakke wordt... en waarvan niemand houdt ?’mijmerde Jeannette, glimlachend, met een prunel halfwege. - ‘Da’s de sil en de terie,5 ginnegapte Busse. - ‘De sil en de terie...5 ‘Wat zegt ie?5 ‘De sil en de terie...5 - ‘Hé, wat een onzin,5 zei zijn vrouw. - ‘De sil en de terie.5 ...‘Wat is een sil?5 vroeg moeder. - ‘...De baksil... en de bakterie.’... ‘Hahaha!’ -‘Hé, jassus wat flauw.’ - ‘Hoe komt iemand op de onzin.’ - ‘Wat is een baksil,’ zei Henriëtte, verwonderd. - ‘Een baccil... Weet je niet, die kleine bééstjes?’ werd uitgelegd. - ‘O ja... Hé, wat flauw.’ - ‘Jassus! Waar haalt ie het vandaan!’ - Er was een algemeen wéé glimlachen. De hele avond had hij zijn whisttafel op zulke grapjes vergast. - ‘Wie weet precies hoe laat het is ?’ - ‘O, we hebben nog alle tijd,’ zei vader, ‘alle tijd, het is nog vóór half twaalf.’ - ‘Moeten we al die tijd eten ?’ vroeg Jules. - ‘Ja, we gaan etend het nieuwe in, met een volle maag. Neem
269