verduft geworden, onder de plak van de vrouw, die hem, met het meerderheidsgevoel van haar sterke, jonge lichaam en met al de kribbigheid van onbevredigde zinnelijkheid, telkens vinnige dingetjes zei. Er was nóg een ander ongelukkig paar aan tafel. Het komt mij-zelf gezocht voor om de tégenstelling te beschrijven, maar het is beneden mij om énige effect-makende onwaarheid ten bate dezer herinneringen te verzinnen. Die ouwejaarsavond viel mij het contrast sterk op... Naast mij zat het vrouwtje van Busse, blond, tenger, van nog geen drieëntwintig. Al haar bekenden wisten dat ze geopereerd was. In haar onnozelheid vertelde zij het zelf. In de maand dat andere jonggetrouwde vrouwen bevallen, was haar baarmoeder uitgesneden. Hoe ze zo plots aan tuberculose kwam, begreep Busse hélemaal niet. Hij was volbloedig-vrolijk, grappenmaker bij de dames die vonden dat hij zulke interessante ogen had. Ook hij zat onder de plak. Als zijn vrouw hem onverwacht wat vroeg of zei, keek hij soms naar haar grijze ogen met het schuldig schuin-wit van een hond. Aan de feesttafel maakten die twee mannen een penibele indruk, de een door zijn gedruktheid, de ander door zijn volbloedige rusteloze vrolijkheid. cGa u een filepien met me an ?’ lachte Busse.
Jeannette, naast hem, gezond-rood met goed onderhouden tanden, vond het wel wat vróég om een filepien an te gaan bij de eendebout. - ‘Neé, Jeannette, nog niet aan de amandele komme!’ zei Gerda. - cAlleen maar die éne,5 verzocht Busse, ‘het is een tref als je in eens een filepien te pakke hebt, nietwaar. Da’s een toeval, niet?... Ga u hem an?’ - ‘Nou, goed,’ lachte Jeannette. - ‘Om watte dan,’ lachte Busse. - ‘Wie het eerst wat anneemt, die moet de ander een cadeautje geve.’ - ‘Best! Best!’ - lachte Busse. - ‘Je eendebout wordt kóud,’ zei Jules zachtjes gedwee. - ‘O. O. Weer een pikanterie van je, óüwe man ?’ - antwoordde Jeannette, bits-jes, beleefd-ingehouden-vinnig, met rad mummelen der dunne, praatgrage lippen. - ‘Ik zeg toch niks, kind.5 - ‘Ja - éérlijk is eerlijk. Véél heeft ie je niet gezegd,5 glimlachte Gerda, ‘hij zei alleen maar: je eendebout wordt koud. - WTil je prunellen, Jeannette?5 - Mevrouw Busse, sympa-thiek-blond-fijn, was een gesprek met me ‘begonnen’. Telkens een klein hapje eendebout op de zilveren vork en een hoofdknikkend luisteren. Eerst deed ze machtig vervelend, voor de zésde maal vragend naar letterkundige dingen, hoe Van Deyssel er uit zag, hoe Kloos gekleed was én óf die getrouwd was; of ik Verwey een dichter vond; waarom de jongere tijdschriften mijn laatste boek doodgezwegen hadden, terwijl het toch zo ‘mooi’ was; of ik het nou héüs méénde dat ik het lelijk vond; waaran ik nóu bezig was én of die Ten Brink héüs zo’n kwiebus was én of ik JanVeth wel es gezién had én dat zij het dól zou vinden met artiesten om te gaan.
267