door, de rechte burgermansstraten naar de Diergaardesingel, een nauw straatje, dat door een stinksloot van de Diergaarde gescheiden is. Juffrouw Cornet was niet thuis. Een schelle vrouwestem riep van boven dat de juffrouw oudejaar vierde bij een vriendin op het Tarwenakker. Waar dat was ? De schelle stem drensde de uitleg. We namen de tram, vonden juffrouw Cornet aan het opgegeven adres. ‘Wel got Georgine, ben jij het ? Jezis, ben jij het ? Wel allemachtig, wat doet me dat een plezier!’ betoogde ze, buiten adem van het trapaflopen. In de schemer van de gang zag ik een kleine, gedrongen, magere vrouw. Georgine vroeg of ze een kamer over had. Nou dat was wel lastig. Ze had alles verhuurd. Maar dat was waar, de buikspreker, die bij Pflaging optrad, was met de laatste trein naar Leiden gegaan, waar een zuster van hem woonde. Als Georgine het voor lief wou nemen. Natuurlijk schóne lakens... Nee maar, verbeel je, de vuile lakens van de buikspreker! Georgine gaf haar een fluisterende verklaring van de ‘meneer’ die op een kleine afstand wachtte. Wel got, hoe onpleizierig om alleen een oudejaarsavond door te brengen. Ze moest mee naar boven. Nee, dat wou Georgine niet. Ach wat! Ze had zich niet te genere!... Het was het huis van Leentje Staas. Of ze zich Leentje Staas niet meer herinnerde... die lange Leentje... die óók in de Vic gezongen had.
Woont Lééntje hier, die ouwe Leen ? - informeerde Georgine met verbazing. Wel ja - die was fatsoenlijk getrouwd met een manke ex-kapitein. Dié had ’t best... - ‘Kom nou maar gerust mee.’ - ‘Nee... zo invalle... Wat zal Leentje wel zegge.’ - ‘Als ik je inviteer is het goed’... - ‘Nee, dat dürref ik zo niet...’ - ‘Cornet, waar blijf je ? Is er iets ?’ - riep een vrouwenstem. Uit een openstaande kamerdeur klaterde stemmengepraat en gelach. - ‘Leen... Léén... weet je wie hier is?’ - ‘Nou-ou?’ - ‘Georgine... Georgine Casper!’ - ‘Wel Jezis, Georgine ben jij daar ?’ - Een jonge, blonde vrouw, fris in haar rode japonnetje, kwam op de stoep en wéér een gezoen, en vragen, een hellichte belangstelling. - ‘Nou maar, je gaat mee!’ - ‘Nee, Leen... het staat zo gek voor je man.’ - ‘Allo! Je gaat mee! Me man vindt alles goed. Geef es een hand, Cornet.’ - ‘Pas op, malle mense! Jullie trekke de arme uit me lijf!... Laat me dan eerst me man goeienavond zegge.’ - ‘Is je man er?’ - vroeg Leentje, ‘waarom zeg ie dat niet eerder? Laat je man ook meekomme. Vanavond houe we open tafel!’ Georgine fluisterde. - ‘O... ó... Nou dan jij alléén... Kom gauw. Ik zal de deur an late staan, hoor! Wel, wie had dat gedacht, die óüwe Georgine. En ze ziet er goed uit ook, hé?’... - ‘Ik kom dirék, hoor.’ In de vale schemering van het hoog in de sneeuwwolken huivende huis, zoenden we elkaar. ‘Zul je an me denke?’ - ‘Ja vrouwtje.’ - ‘Zul je niet naar andere meissies
263