Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



‘Wel zéker.’ - ‘ik had hem wel weggekrege met een of twee gulden op afbetaling... Dat ellendige wijf... Die gróéit erin... Die heeft nou lol voor zés... Ze heeft toch zo de pest an me... Als ze me wat zegt, zal ik haar es op d’r plaats zette!... Stop me nou es in...’ - Om één uur, terwijl we koffie dronken, klopte Doedelaar aan. — ‘Mijnheer, d’r was vanmorge zo één spektakel... Wiel u asjeblief er voortaan aan denke dat vóór die wienkel ies.’ - ‘Jawel. Zeker. Je hebt groot gelijk. Maar je moet toegeven, Doedelaar, als verstandig man,’ dat streelde hem, z’n waterige oogjes stonden een moment helderder, ‘dat het van die vent onbehoorlijk is om zo vroeg te komen. Het geld heb ik in me portefeuille. Maar als de mense brutaal worde doé ik het niet, al gaan ze op d’r kop staan.’ - ‘Daarien heb u gelijk. Maar d’r was een klant, dié dacht dat mijn vrouw schoeld had - en dat ies onplijzierig, niewaar ?’ - ‘Het zal niemeer gebeure. Mag Frits strakjes die mense gaan betale?’ - ‘Wel zeker, mijneer... lek zeg altijd maar: der goeie Got heeft ook schoeide - maar als ze ien de hemel skandaal kwame make, dan zou die ook zegge: denk an mijn bure, niewaar?’ - ‘U mot niet met God spotte,’ zei Georgine benepen glimlachend. - ‘Ach was! Die ouwe jongen kan tegen een grappie, wie?’ - ‘Mense die met God spotte, worde vroeg of laat gestraft,’ meende Georgine, met iets hoog-blijds in haar stem, dat de barbier het zo goed opnam. - ‘Ach was,’ lachte Doedelaar flets, ‘hij durft mij niet an!’ - ‘Nou-nou-nou, meneer Doedelaar.’ - ‘Ik weet te-veel van iem, hahaha!’ - ‘Het is toch niet goed,’ glimlachte Georgine. - ‘Onze-Lieve-Heer is een schuine, wie ? Je mag niet echtbreke... En wat heeft hij met Maria gedaan en met die ouwe Sarah ?... Allemaal buitebeentjes, wie? Dat ies een óuwe snoeper, hahaha!... En zo weet iek nog véél meer van iem?... Hahaha!...’ - ‘Zal u Frits om drie uur even naar mijn woonhuis zende ?’ - ‘Jawol... Gaat u uit de stad ?’ - ‘Ja. Mijn vrouw en ik vieren het ouwe jaar in Rotterdam. Zal u goed op Kaatje passen?’ - ‘Natoerlijk... Ze krijgt pons en hete kastanjes...’ - ‘Morge zal ik u betale.’ - ‘O da’s best. lek ben niet om geld verlegen. Mijn vrouw heeft nog geklaagd dat zij een handdoek en servet miest.’ - ‘Die zal ik haar morge wel geve... Die heb ik nog in gebruik.’ - ‘Goed... Mot u nog geschore worde... Ja?’ ‘Ik kom dadelijk.’

Om zes uur zaten we in de trein. In geen maanden was ik thuis geweest. Moeder had me zo dringend geschreven en ik voelde dat ik de huisgenoten zó verwaarloosd had, dat ik op oudejaarsavond niet weg durfde blijven. Georgine zou een kamer nemen bij een vroegere vriendin en zo vróég als ik maar weg kón van huis, zou ik bij haar komen om toch een deel van ouwejaarsnacht bij haar te zijn. Gearmd gingen we Rotterdam

262

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.