Kamertjeszonde

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1970

Pagina's
392



Als hij daarvan vertelde, zakte zijn stem voor de gehorigheid, lichtten zijn zwarte ogen in het doodskopgezicht, schoor hij met kleine voorzichtige zetjes, omdat zijn hand te veel bibberde voor lange halen. Ik verlangde zijn gore verhalen niet te horen, maar de meneer, die hij dagelijks om zich had, die er een ‘mintenee’ op na hield, die stelde stilzwijgend belang in de warme, heetschrijnende gedachtetjes, die zijn mager barbiers-lichaam verschrompelden. ‘Vanmorge bien iek weer ien die Govert Flienckstraat geweest. - Daar ies nou een bieldschone meid mijneer... Daar gaat je piepel bij staan, héhéhé!... Dat zou iets voor Frietz zijn... Bieldschoon, mijneer... En die zat ien haar oenderlijfje en moest iek kappen... Joeffrou zei iek - iek zou wel ies wielle... Ja, dat gloof iek wol zei zij - als jij maar sjente heb, wie ? - En toen vertelde zij mijn - als je viel ien zo’n rendeewoe komt raak je gauw partikoelier - dat daar giesteravond een mijneer van die Nassaukade - zijn naam ben iek vergete - door die poli-zei uitgehaald ies geworden. -- Die wou óók voor nieks, héhéhé!... Wie’k wel gelove... En toen vertelde zij mij nog een goeie... Die heer... Ies het mes wol goed?...Ja... had haar ausgeschimpft voor miespoent omdat madam het niet wou... toen had zij hem gezeid: <Miespoent? Miespoent?... Miespoent ies wat achter jou hemmetje zit!> Héhéhé!... Goed, wie?... Ja, da’s een bieldschone meid... De prammetjes van mijn vrouw zijn er nieks bij... Mijn vrouw is zo plat wie een pfannekoek... héhéhé... Maar zo eens an een bieldschone meid te smulle vóór mijn dood... Daar leg iek elke week één doebeltje voor weg, niewaar Frietz ?.,. En dan gaan Frietz en iek samen naar die hoere, niewaar Frietz?... Klaar, mijneer.5 Achter elk zinnetje kwam een schrapertje van het mes. Zwaar hoekten de jukbeenderen, omrand door blauwe tintin gen van het gladgeschoren vel. De steile haartjes van zijn sik, felzwart op de geel-dofheid der huid, ruiden tot een pluizige punt. Zijn zwarte wateroogjes, glinsterend in matte kassen, leefden bij die wellustopstanden, bij zulke fantasieën van ander, jong, weliger vlees, bij die broeiingen van zijn bloed. Als hij niet te scheren had, was hij bij z’n kippen die het snot hadden, bij de krakig-oude haan, die met een gezwel aan het ene oog door het hok tipte - of zat hij beduimelde, verdachte boekjes te lezen. Hij was geabonneerd op De Echo en De Rooie Duivel... cDe Rooie Duivel.. dat ies die beste koerant ien Holland... Die zegt waar het op staat... Die wiendt er geen doekjes om... Heb u geleze hoe die die koningin te pakke heit?... Als dat bij oensien Duitsland geschreve werd, zou die allang ien die kast ziete... Geen troon, geen beurs, geen altaar - dat ies ook mijn leus, wie ?... Vin u niet ?... Ies het kein skandaal dat iek zoviel belastoeng betale moet?... Wat heb iek an dat geld ?... Daar kon ik toch een jonge meid voor haben, wie ?’

251

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.